Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Omgaan met jezelf in relatie tot anderen - Coggle Diagram
Omgaan met jezelf in relatie tot anderen
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Prenatale fase
neurale netwerken al in baarmoeder - primaire levensfuncties - maar ook al ontvangen van indrukken van buitenaf
De baby
1ste mijlpaal = glimlachen (eerst reflex, daarna sociaal)
7 maand: emoties interpreteren
8 maand: social referencing = zoeken naar info over de gevoelens van anderen in de omgeving (gezichtsuitdrukkingen leren lezen)
De peuter
Autonomie, zelfstandigheid centraal
Meer lichaamsbeheersing
Heftige emotionele reacties - peuterpuberteit - driftbuien
2 jaar: meevoelen met anderen, toch nog vooral op zichzelf gericht
De kleuter
Initiatief staat centraal
3 jaar: Koppigheidsfase
Ontdekt 'ik'
Start naar school gaan: nieuwe wereld gaat open, leren en oefenen sociale vaardigheden
Het lagere schoolkind
7 jaar: weinig realistisch zelfbeeld
Vriendschappen aangaan: horizontaal (klasgenoten) en verticale (ouders)
De adolescentie
Identiteit ontwikkelen
Veel stemmingswisselingen
Ambivalente gevoelens
Afhankelijk van de mening van de peers
Rijker gevoelsleven / eerste verliefdheden
Morele ontwikkeling volgens Piaget
Moreel oordelen = een beschrijving van een situatie waarbij een persoon verschillende keuzes tot handelen heeft.
Voorbeeld: Rune opent een deur waarachter een stoel staat met 15 theekopjes. Gevolg: alle kopjes vallen op de grond en breken. Jade klimt op een stoel om snoepjes uit de kast te nemen zonder dat haar moeder dit ziet. Gevolg: zij breekt hierbij echter één kopje. Wie is het stoutste kind?
Fase van de morele belemmering = kleuters zijn nog te veel gericht op de gevolgen van gedrag (en te weinig op de intentie) Lagere schoolkind = transitie (overgang morele belemmering en autonome moraliteit)
Fase van de autonome moraliteit
Kleuter: effect van het gedrag bepaalt goed/fout, moeite om de intenties te zien, een autoriteit bepaalt wat goed/fout is
Lagere schoolkind: transitie: komt al iets meer los van het effect, regels en plichten worden nog steeds sterk gehanteerd
Vanaf 11-12 jaar: autonome moraliteit: intenties worden in rekening gebracht, besef dat moraal relatief is.
Morele ontwikkeling volgens Kohlberg
Werkt verder op Piaget
Preconventionele moraal: Straf en beloning
Gehoorzaam zijn en straf vermijden
Zich anders aan de regels houden bij volwassene, anders niet
Conventionele moraal: verwachtingen van anderen
Normen en gedragscodes, niet anders zijn dan anderen
Nadruk op sociale orde / bredere maatschappij
Postconventionele moraal: waarden
Nadruk relativiteit van afspraken, abstracte morele principes
Nadruk op geweten
Wat vind ik belangrijk?
Persoonlijkheidsontwikkeling
Baby: temperament
Lagere school: persoonlijkheid ( = stabiele kenmerken die iemand typeren)
Erikson: 5 fases
Fase 1: 0-1 jaar: vertrouwen vs. wantrouwen
al dan niet tegemoet komen aan basisbehoeften van baby leidt tot basaal vertrouwen/wantrouwen
Fase 2: 1-3 jaar: autonomie vs. schaamte/twijfel
Verwachtingen bij het leren van bepaalde vaardigheden leidt tot autonomie en competentie of faalangst, schaamte en twijfel
Fase 3: 3-6 jaar: initiatief vs. schuldgevoel
Initiatief nemen en de wereld willen veroveren kan ook tot conflicten en schuldgevoelens leiden
Fase 4: 6-12 jaar: ijver vs. minderwaardigheid
Identiteit wordt ontleend aan prestaties => veel nood aan bevestiging en erkenning van ouders/lk'en. Bij slechte prestaties => minder erkenning => gevoel van minderwaardigheid
Fase 5: 13-20 jaar: identiteit vs. rolverwarring
Periode waarin keuzes gemaakt moeten worden en dus een eigen identiteit ontwikkeld moet worden. Bij moeilijke keuzes kan er identiteitsverwarring ontstaan
Identiteit = gevoel om uniek te zijn, mix van eigenschappen die jou uniek maakt.
Persoonlijkheid = stabiele, innerlijke psychologische kenmerken (temperament, karaktertrekken, emoties...)