Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
H6 - POLITIEKE PARTIJEN
Wat is politieke partij; 2. Ontstaan; 3…
H6 - POLITIEKE PARTIJEN
- Wat is politieke partij; 2. Ontstaan; 3 Typologiën en 4 Functies/Dysfuncties
Politieke partij = Onmisbaar voor de werking moderne democratie
1. WAT IS EEN POLITIEKE PARTIJ?
Definitie en ontstaan.
-> Geen consensus over definitie;
Partijen zijn gericht op machtsuitoefening. Willen de voor de samenleving bindende beslissingen nemen, in overeenstemming met hun visie/programma. Concureren met elkaar om zoveel mogelijk politieke mandaten op te nemen, via een algemeen partijprogramma met fundamentele uitgangspunten.
Verschil tussen drukkingsgroepen en partijen
- Politieke partij: Rechtstreekse deelname ad macht (verkiezingen; formele organisatie met leden; volwaardig partijprogramma; verbonden door gemeenschappelijke ideologie.
- Drukkingsgroepen: Van buitenaf druk uitvoeren (geen verkiezingen), vaak minder formeel georganiseerd of tijdelijk, pers. kunnen lid zijn v. meerdere organisaties; slechts één onderwerp inlaten; Groeperen vaak leden met verschillende ideologieën.
2. ONTSTAAN VAN POLITIEKE PARTIJEN
- Relatief recent fenomeen (reactie op modernisering) (Liberale partij, Katholieke partij, Socialistische partij)
3 Theorieën op het ontstaan van politieke partijen
- Institutionele benadering
(nadruk op belang van democratiseringsproces)
- Breuklijnenmodel (Lipset en Rokkan)
(gericht op belang van dieper liggende maatschappelijke conflicten)
- Theorie rond ontstaan NSB
(gericht op belang van dieper liggende maatschappelijke conflicten)
=> Partijen ontstaan eerst vanuit het parlement (liberalen), dan vanuit sociale strijd (socialisten/katholieken), en later vanuit nieuwe waarden (groenen/populisten).
2. Het Traditionele Breuklijnmodel (Lipset en Rokkan)
Verklaart ontstaan partijen door 2 revoluties met 4 breuklijnen waarop partijen zich geënt hebben.
- Politieke revolutie: 1. Conflict kerk en staat, 2. conflict centrum en periferie.
- Industriële revolutie: 3. conflict tss Primaire en secundaire sector en 4. conflict arbeid en kapitaal.
= Langdurige, geïnstitutionaliseerde conflicten, met relatief grote mensengroepen bij betrokken die een politieke oplossing vereisen.
-> Ontstaan hoofdstructuur:Deze partijen bij vroeger niet sterk veranderd; freezing-hypothesis. Breuklijnen en dus partijen hebben een vermogen tot recuperatie +verzuiling.
Echter recenter; ontdooing en ontzuiling waardoor nieuwe tegegangers.
De industrialisering leidt tot conflicten tussen stedelijke economische belangen en rurale gebieden en leidt ook tot conflict tussen ondernemende en werkende klasse.
-> Ontstaan agrarische en arbeiderspartijen (deze verdelen zich dan weer in communistische en sociaaldemocratische alternatieven).
Ontwikkeling van de Gecentraliseerde liberaal-democratische staten geven aanleiding tot conflict met kerk en perifere regio's.
-> Ontstaan religieuze en regionalistische partijen.
De verzachting vh conflict kerk en staat leid tot vervelling van traditionele religieuze partijen naar christendemocratische tegenhangers.
3. Theorie rond ontstaan Nieuwe Sociale Bewegingen Nieuwe breuklijnen?
Vanaf de jaren '60 en '70 "ontdooide" het systeem. Er ontstonden nieuwe partijen omdat de oude partijen bepaalde nieuwe thema's lieten liggen.
-> Verschil in waardepatronen van voor- en naoorlogse generaties. Zorgt voor nieuwe sociale bewegingen (milieubeweging, vrouwenbeweging, vredesbeweging, ...)
-> Ontstaan ook buitenparlementair
De Stille Revolutie (Post-materialisme) Inghelhart: Jongere generaties, opgegroeid in welvaart, hechtten minder belang aan materiële zaken (loon, veiligheid) en meer aan post-materialistische waarden (inspraak, milieu, zelfontplooiing). → Ontstaan van Groene partijen.
Globalisering (Open vs. Gesloten): Recent zien we een conflict tussen winnaars (kosmopolieten) en verliezers (nationalisten) van de globalisering. → Ontstaan van radicaal-rechtse of populistische partijen.
1. Institutionele benadering
-> Nadruk van de politieke instellingen: uitbreiding stemrecht (cijns, AMS, EAS).
- Voordien:
°Elitair/lokaal
°Parlementaire clubs van gelijkgezinden (regio, taal, regionale belangen, ..)
- GEEN politieke partij
Veranderede door democratiseringsproces!
-> Met uitbreiding stemrecht => opkomst partijen! Kader vs. Massapartijen=> Verklaart ontstaan partijen 19e eeuw, maar schiet vandaag te kort.
Kaderpartijen
Afstand tussen kiezer en gekozenen groeiden.
-> Verbinding tss parlementaire club en kiesvereniging (ontstaan dus vanuit parlementaire groep of fractie van binnen het parlement).
= Oorsprong van deze partijen ligt in het parlement, binnenin ontstaan = kaderpartij. Willen macht in parlement behouden.
Zoals Liberale partij (individuelen die eerder Cijns konden betalen).
Externe Creatie van partijen (massapartij).
Ontstaan uit organisaties buiten het parlement (mutualiteiten, vakbonden, ...) om macht in het parlement te verwerven.
(Meeste socialistische partijen in Eu zo ontstaan).
vb: BE werkliedenpartij, in eerste plaats groepering van organisaties die besloten aan politiek proces deel te nemen.
3. TYPOLOGIÊN VAN PARTIJEN
Omdat partijen zich continu aanpassen aan de samenleving, zijn er door de tijd heen verschillende soorten (types) ontstaan.
-> André Krouwel, die ongeveer 50 modellen terugbrengt tot vijf hoofdgroepen.
= Partijmodellenoverzicht (4 modellen/hoofdgroepen), telkens gebaseerd op origine, electorale, organisatorische en ideologische dimensie.
-> Dit is een dialectisch proces: elk nieuw type ontstaat vaak als reactie op de beperkingen van het vorige type.
Alternatief
Op basis van de hoofddoelstelling vd partij:
- Office-seeking = regeringsdeelname: Sluiten gamkkelijker compromissen om aan de macht te komen en te blijven. (vb: Kartelpartijen)
- Policy-seeking partijen = beleidgericht; Doel om partijprogramma (ideologie) te realiseren. Sluiten moeilijk compromissen, liever in oppositie dan principes aanpassen (vb: nichepartijen)
- Vote-seeking = stemmengericht: Zoveel mogelijk kiezers winnen. Bereid programma aan te passen naar wat populair is bij kiezer, ideologie is flexibel. (vb: catch-all en business-firm partijen)
3.1.1 Kaderpartijen
- Elitepartij, ontstaan in het parlement, draait om individuele notabelen.
Ontstaan uit streven naar machtsbehoud vanuit parlementaire groep.
- Behartigen belangen van elite (originele kiezers)
- Zwaartepunt = verkozenen, niet gericht op lange-termijn lidmaatschap.
- Minimale organisatie, vooral verkiezingen.
-> Vandaag geen eenduidig voorbeeld; MR?
3.1.2 Massapartijen
- Ontstaan buiten het parlement om macht te verkrijgen, draait om grote ledenaantallen, sterke ideologie (policy-seeking) en een vaste achterban (bv. arbeiders).
- Nadruk op groot aantal leden (=macht), netwerk van organisaties
- Strakke organisatie: inspraak van leden (zie theorie vs. praktijk), sterke leiding noodzakelijk (zie ijzeren wet Michiels);
-> vroeger: Socialistische partijen, maar uiteindelijk slachtoffer van eigen succes.
3.2 De catch-all party (volkspartij) Kircheimer
Kader vs. Massapartij verdwijnt. Na WOII vervaagden de scherpe klassentegenstellingen en ontzuilde de samenleving. Massapartijen botsten op een plafond omdat ze in een te kleine vijver visten.-> verschuiving naar vote-seeking. De partij wil niet meer één groep (bv. alleen arbeiders) vertegenwoordigen, maar iedereen (het hele volk) 'vangen'.
- Electorale basis verruimen, uit hele bevolking kiezers winnen.
- Groei van en naar 'het midden' -> Centripetale electorale competitie.
Partijprogramma's lijken meer op elkaar, wissel van regering nauwelijks wissel in beleid, ...
Gevolg:
- Macht naar de top: De leden (die vaak radicaler zijn) krijgen minder te zeggen, de partijleiders en het imago worden belangrijker.
- Professionalisering (Panebianco): De partijbureaucraat maakt plaats voor de spin-doctor en marketingexpert (Electoraal-professionele partij).
-> Laten terug ruimte vrij voor partijen met smalle ideologische basis die slechts bepaalde punten benadruiken en beperkt kiespubliek benadrukken (dus primair policy seeker). = Single issue-partijen of nichepartijen.
3.4 Cartel Parties
Omdat catch-all partijen minder trouwe leden en kiezers hebben, worden ze kwetsbaar. Om te overleven, zoeken ze steun bij de staat. Dit model is beschreven door Katz & Mair.
- De partij wordt een agent van de staat in plaats van een brug tussen burger en staat (zodanig verstrengelt met de staat, ze verdigt beleid bij de bevolking).
° Samenspanning (Kartel): Gevestigde partijen maken afspraken om de macht te verdelen en nieuwkomers buiten te houden ipv ideologische verschillen uitwerken (Catch all -> office-seeking).
° Staatsfinanciering: Ze leven niet meer van lidgeld, maar van subsidies die ze zichzelf via het parlement toekennen.
Kritiek:
Politiek wordt "management" van de staat.
De band met de samenleving is verbroken, wat leidt tot een legitimiteitscrisis en particratie.
-> Concurrentiestrijd tss partijen voor belangrijk deel uitgeschakeld door (kartel) afspraken tss partijen.
- Kartelpartijen gebruiken hun dominantie om de spelregels te bepalen in hun voordeel (want zij zijn wetsontwerper).
-> Schakelen zo ook andere partijen uit.
3.5 Business-firm parties
Als reactie op de geslotenheid van de kartelpartijen. Nieuwe spelers (politieke ondernemers) breken in de markt in.
- De partij wordt gerund als een privébedrijf met een sterke CEO (de leider). Kapitaalkrachtige ondernemers die aan politiek doen, zich opwerpen als goede manager van de overheid
- Voornaamste programmapunt is de overheid efficiënter maken, via gebruik methoden vanuit privémarkt.
- Gefinancierd vaniut privémiddelen (in het begin)
- Vaak geen leden
- Vraaggericht: via marktonderzoek bieden wat de kiezer op dat moment wilt horen (vote-seeking).
- Sterk mediagericht, charistmatisch (gericht op één persoon (grootste zwakte)), weinig organisatie
2 Soorten
Gebaseerd vanuit een reeds bestaande commerciële onderneming waarvan de structuren worden ingezet voor een politiek project.
Forza Italia, partij ontstaan uit zakenimperium politicus/zakenman Berlusconi
Nieuwe zelfstandige organisatie wordt opgezet om politieke macht uit te voeren.
Geert Wilders met PVV in Nederland, JMDD in België
Verschillende gezichten vd partij
1. Party on the ground: partij als ledenbeweging en breder in het kiespubliek.
Wie?
De leden, de militanten (actieve vrijwilligers) en in bredere zin ook de trouwe kiezers.
Wat?
Zij zorgen voor de verankering in de maatschappij, leveren mankracht voor campagnes en zorgen voor legitimiteit (veel leden = veel steun).
Evolutie:
Dit gezicht verliest aan macht. Omdat partijen financieel afhankelijk zijn geworden van de staat (en niet meer van lidgeld) en campagnes via massamedia voeren (i.p.v. huis-aan-huis), heeft de partijtop de leden minder nodig,.
-
2. Party in central office: de centrale partijorganisatie (partijleiding en - bureaucratie).
Dit is het hoofdkwartier of het zenuwcentrum van de partij.
Wie zijn het?
De partijvoorzitter, het partijbureau (de leiding), het secretariaat en de betaalde medewerkers (personeel, studiedienst).
Functie?:
Zij beheren de partijmachine, bepalen de strategie, controleren de communicatie en selecteren de kandidaten voor verkiezingen.
Evolutie:
Dit gezicht is enorm machtig geworden. In België, dat als een particratie wordt gezien, domineert de partijvoorzitter (vanuit de central office) vaak de andere gezichten,.
SAMENGEVAT: De macht is verschoven.
Vroeger (bij de massapartij) was de Party on the ground dominant: de leden beslisten.
Vandaag (bij de kartelpartij) ligt de macht vooral bij de Party in central office (de voorzitter en het apparaat) en de Party in public office (de ministers), die steeds nauwer met elkaar verweven raken,.
3. Party in public office: Verwijzen naar parlements-en regeringsleden van de partij)
Dit zijn de vertegenwoordigers van de partij in de politieke instellingen.
Wie zijn het?
De verkozen mandatarissen: parlementsleden, ministers, schepenen en burgemeesters.
Functie?:
Zij moeten het programma van de partij omzetten in concreet overheidsbeleid en wetgeving.
Evolutie:
Samen met de central office heeft dit gezicht aan macht gewonnen ten koste van de leden (party on the ground). Echter, in België staan de parlementsleden vaak onder strikte controle van de partijtop (fractiediscipline),.
-
4 FUNCTIES EN DISFUNCTIES VAN PARTIJEN
Kunnen de taken van partijen opsplitsen in drie positieve hoofdfuncties (programmatisch, positioneel, civiel) en één negatieve categorie (disfuncties en particratie).
3 Positieve functies:
Porgrammatorisch (inhoud/ideeën), Positionele functie (instellingen, macht/personeel) en Functies naar de burger toe.
Programmatorische functies (inhoudt/ideeën)
Dit gaat over de inhoud van de politiek. Partijen zijn fabrieken van ideeën en beleid.
-> Functies die met het programma en eventueel beleid van de partij te maken hebben.
Beleidsontwerp- en ondersteuning
Beleid ontwerpen: Partijen schrijven niet alleen verkiezingsprogramma's (met oplossingen voor problemen), maar proberen deze – eens in de regering – om te zetten in concreet overheidsbeleid.
Strijdpuntformulering
= Een omstreden oplossing/thema die bij publiek gevoelig ligt, punten waar geen consesnus over heerst bij politici noch publieke opinie.
-> Partijen maken duidelijk waarover het conflict gaat. Ze mobiliseren mensen rondom specifieke thema's (bv. klimaat, migratie, koopkracht).
Belangenvertegenwoording- en bundeling
- Articulatie: Partijen vertolken de eisen van burgers.
- Aggregatie (Bundeling): Dit is cruciaal. Omdat er duizenden tegenstrijdige wensen zijn, bundelen partijen deze tot één samenhangend pakket. Ze zijn poortwachters (gatekeepers): ze bepalen welke eisen op de agenda komen en welke niet.
Positionele functie (instellingen, macht/personeel)
Dit gaat over wie het beleid mag uitvoeren. Partijen zijn de poortwachters tot politieke carrières.
Regeringsfuncties invullen:
In een coalitieland als België bepalen de partijvoorzitters wie minister wordt.
(cf. Partijvoorzitters)
-> Hierbij geldt vaak de "IJzeren wet van de proportionaliteit": het aantal ministers dat een partij krijgt, is evenredig met hun aantal zetels.
-> Partijen proberen vaak bevoegheden binnen te halen die voor hen inhoudelijk ook belangrijk zijn (in partijprgramma staan).
Instructie, advies en informatie verstrekken (Discipline):
De partij vertelt haar parlementsleden wat ze moeten stemmen (fractiediscipline).
-> Dit zorgt voor stabiliteit, maar beknot de vrijheid van het individuele parlementslid.
Rekrutering en Selectie (The Secret Garden) van politiek personeel:
Partijen bepalen wie er op de kieslijst komt. Dit noemt men vaak the secret garden of politics (of een black-box).
-> Hoewel leden steeds vaker mogen stemmen over de lijsten, behoudt de partijtop vaak de controle (bijvoorbeeld via model-lijsten) om een evenwicht te bewaren (ticket balancing)
Ticket-Balancing:
Samenstellen van een lijst met kandidaten (een 'ticket') die een zo breed mogelijke groep kiezers aanspreekt.*
-> Zorgen voor een mix van demografische (bv. regio, geslacht, etniciteit) en ideologische vertegenwoordiging, om zo de maximale stemmen te winnen*
-
-