Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
H12 - INTERNATIONALE POLITIEK
Omvat politieke fenomenen die de nationale…
H12 - INTERNATIONALE POLITIEK
Omvat politieke fenomenen die de nationale politiek overstijgen, in het bijzonder de interacties tss staten.
1. DE ACTOREN VD INTERNATIONALE POLITIEK
Actoren: spelers vd IP = Politieke "wezens" (staten, regeringen, leiders, ng- organisaties, ...) met handelingsautonomie (= kunnen dus zelf keuzes en beslissingen maken).
Actoren hebben belangen en macht:
Wat willen actoren? Wat kunnen actoren tegenover anderen (machtsbronnen voor nodig) en hoe is de onderlinge machtsverhouding (verdeling machtsbronnen)?
Machtsbronnen: Materiële bronnen (wapens, grondstoffen, economie (handelsbeperkingen)), en immateriële machtsbronnen (aantrekkelijkheid vd ideeën v. actoren, kwaliteit van diplomatie v.e staat, durf om beslissingen te nemen of standvastig verdedigen).
Instituties id IP
Brede sociologische definitie (gaat dus nt enkel over nationale instellingen).
- Internationale normen en spelregels
- Diplomatie
- Internationaal Humanitair recht (= oorlogsrecht)
- Internationaal recht ih algemeen
- Internationale gouvernementele organisaties (cf. infra)
-> Instituties staan tss de actoren (met hun belangen en machtsverhoudingen) en de feitelijke uitkomsten.
Actoren toegelicht
- Staten en hun soevereiniteit
- Niet-statelijke actoren
- Intergouvernementele organisaties
- De VN
Niet-statelijke actoren
- Individuen: vb: persoonlijkheid van US president (door hoeveelheid macht) heeft sterke invloed op IP.
- Parlement: niet gelijk aan de staat; bepaalt mee buitenlands beleid in
- Het leger: In sommige landen actoren met eigen belangen en handelingsbekwaamheid
Andere, niet statelijke actoren:
- Multinationale ondernemingen: sturen bovendien ook mondiale productienetwerk met veelvoud aan onderaannemers aan.
- Niet-gouvernementele organisaties (NGO's): Greenpeace, WWF, Humen Righst Watch
- Criminele terreurorganisaties
- Kleuring via media, religieuze organisaties, ...
- ...
Intergouvernementele organisaties
= organisaties opgericht en bestuurd door staten ('lidstaten')
- Formele intergouvernementele organisaties
- Informele intergouvernementele organisaties
-> Zijn deze organisaties eerder zelf actoren of enkel fora/arena's waar staten samenwerken of van mening verschillen?
Consensus: machtige lidstaten bepalen contouren waarbinnen dergelijke organisaties kunnen opereren.
Slechts als actor beschouwd worden als nationale vertegenwoordigers/personeel vd organisatie ten dele ook eigen visie in het beleid kunnen laten doorwerken, los van machtsspellen tussen lidstaten.
= Geen militaire of economische machtsbronnen; wel expertise en moreel gezag (zie VN).
Formele intergouvernementele organisaties:
Gepaseerd op een bindend verdrag en hebben secretariaat. VN, OPEC, EU
Informele intergouvernementele organisaties:
Organisaties van staten, maar werken zonder verdrag en zonder secretariaat. (Geopolitiek:)G7, BRICS, (Economische samenwerking:) G20
Staten en hun soevereiniteit als belangrijkste actoren in de IP.
- Criteria: Permanente bevolking, gedefinieerd territorium, regering, de capaciteit om met andere staten relaties aan te gaan + monopolie op geweld en belastinginning.
- Staat is actor met eigen belangen en handelingsautonomie (ten gevolge van interne politiek).
- De staat als souverein:
° Interne soevereiniteit: Alleen de nationale overheid heeft zeggenschap over haar hele territorium.
° Externe soevereiniteit: Andere staten respecteren het territorium en bemoeien zich niet in binnenlandse aangelegenheden.
-> Principe van soevereiniteit (ethisch/juridisch) is niet meteen gelijk aan politieke realiteit (kent schendingen)!
Echter, Soevereiniteit vs. universele waarden:
-> Responsibility to Protect: VN leden moeten ingrijpen in geval van genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuivering of misdaden tegen mensheid; mogen dus gewapend grondgebied vn die staat betreden als die staat de veiligheid niet kan garanderen.
-> Internationaal Strafhof (Den Haag) vervolgt en straft individuen die zich schuldig maken aan het bovenstaande.
= doorbreken soevereiniteit van die landen.
De Verenigde Naties
De belangrijkste wereldorganisatie
- Na 1945, opvolger Volkenbond
- Vn-Handvest: bepaalt interne regels
- 193 landen lid, Vaticaan en Palistina als enige geen lid.
- Hoofdzetel in NY en Genève, dagelijks management door Secretaris-Generaal + diens diensten.
- Houdt zich bezig met alle mogelijke onderwerpen van de internationale politiek (Vrede/veiligheid, sociaaleconomische thema's, milieubescherming)
- Werkt met een AG, alle lindstaten vertegenwoordigt, elk één stem.
- Resoluties van de AG zijn niet-bindend.
- VN-Veiligheidsraad; over oorlog en vrede
- Reeks gespecialiseerde agenschappen en aanverwante organen (WHO, IMF, UNESCO, Internationaal gerechtshof (disputen tss staten)...)
De VN-Veiligheidsraad
- 15 leden, 5 permanent met vetorecht. Rest om 2j verkozen.
- Bindende resoluties vergen 9 ja-stemmen zonder neen-stem van permanent lid
- Principe van collectieve veiligheid (Als één lidstaat wordt aangevallen, dan moeten de andre hem te hulp komen.
-> Verschillende soorten beslissingen mogelijk; Sancties of militaire operaties (peacekeeping) vaak toevertrouwd aan regionale organisateis zoals NAVO of Afrikaanse Unie; maar NY kan zelf ook operaties leiden met "Blauwhelmen"(=troupen die lidstaten voor specifieke operatie ter beschikking stellen aan het VN-commando, dat geen eigen leger heeft).
Uitzonderlijk: Vredesafdwinging mogelijk; legers van lidstaten gaan harde confrontatie aan om vb illegale invasie ongedaan te maken.
2. THEORETISCHE PERSPECTIEVEN OP DE INTERNATIONALE POLITIEK
= verschillende theoretische scholen bieden inzicht in complexe domein vd IP. Via bepaalde bouwstenen en basismechanismen die zij de belangrijkste acht om internationale gebeurtenissen te verklaren.
Realisme: gaat uit van anarchie (chaos)
- Nadruk op de anarchie vh internationale statensysteem en onveiligheid die daarmee samengaat (want, bestaat geen wereldregering die voor alle staten veiligheid garandeert).
-> zorgt voor wantrouwen en conflict; voor veiligheid op zichzelf aangewezen dus bewapening en leger opbouwen; Allianties aangaan om machtsevenwicht te bewaren.
- VEILIGHEIDSDILEMMA: zie hiernaast
- Realisten zijn zeer pessimistisch tav vrede: sinds de mens bezittingen kent, bestaat oorlog.
- Onderscheid tss klassieke en structureel realisten
Veiligheidsdilemma:
nt bewapenen = risico overmeester andere staat. Dus bewapenen, maar risico op andere staten ongerust maken (zij weten nooit wat je wilt doen), dus gaan ook zij bewapenen. Uiteindelijk geraak je zon in een wapenwedloop terecht.
Klassieke realisten: Leggen oorzaak van Iconflict voornamelijk aan anarchistische aard vd mens die uit is op macht vr zichzelf/staat.
MAAR, IP is mensenwerk, dus sprankel hoop. Staatslieden kunnen ook beslissen oorlog te vermijden.
Structureel realisten: Leggen oorzaak conflict hoofdzakelijk bij anarchistische aard vh internationale systeem. Grootmachten zelf en hun respectieve militaire en economische capaciteiten.
Liberalisme: duurzame vrede door samenwerking mogelijk.
- Geloof in de rede van de mens -> leren uit verleden; Duurzame vrede en samenwerking ipv oorlog.
- INTERDEPENTENTIE: Sterke verwevenheid van economieën & samenlevingen (economiën van landen hangen zeer sterk aan elkaar -> zakenwereld = krachtige lobby!
- Vrede: oa Democratic peace theory: Statistische vaststelling dat democratische staten onderling bijna nooit oorlog voeren. Indien wel vaak met autoritaire staat. Dus theorie: hoe meer democratieën, hoe minder oorlogen.
-> Ontwikkeling veiligheidsgemeenschap (zone waarin verschillende volkeren gemeenschappelijke identiteit hebben ontwikkeld (EU)
- Samenwerking: Neoliberaal institutionalisme: interdependentie en globalisering -> gemeenschappelijke belangen -> samenwerking (multilateralisme en global governance).
Interdependentie: maar wel zeer optimistisch. Vb: Rusland (Putin) wist dat economie grotendeels ten onder ging gaan bij Oorlog Oekraïne; maar toch gestart. + Kan zelfs zeggen dat samenwerking met Rusland (gas) door EU de oorlog in het begin sponsorde.
(cf. Nordstream I en II)
- Multilateralisme: samenwerkingen tss grote groep van staten binnen internationale organisaties of andere samenwerkingsverbanden (verdragen).
- Global Governance: ruimer begrip, omvat naast interstatelijk multilateralisme ook de medewerking van niet-statelijke actoren zoals vb bedrijven en actiegroepen om mondiale problemen op te lossen.
Constructivisme: Politieke kracht van ideeën staat centraal. Het gelooft dat staten en actoren hun relaties 'construeren' door interactie, waardoor concepten als 'vijand' of 'bondgenoot' veranderen afhankelijk van hoe men elkaar ziet, in plaats van vaste realiteiten.
- Wereld blijft een anarchie, maar staten staten zelf geven er een bepaalde invulling aan.
- Gevaar voor Thomastheorema! (als A gedrag van B vijandig opvangt (terwijl dit niet noodzakelijk zo is), dan zal A zich wapenen. B neemt dit als een dreigement en handelt hier naar. A zit dit en wordt bevestigt in zijn denkwijze.
- Laat ook ruimte voor maakbaarheid! van de wereld.
- Verschil met Realisme/Neorealisme: Realisten geloven dat staten altijd macht najagen; constructivisten stellen dat dit gedrag wordt gevormd door sociale afspraken en identiteiten.
- Verschil met Liberalisme/Neoliberalisme: Liberalen focussen op instellingen en economische samenwerking; constructivisten kijken dieper naar de ideeën en identiteiten die samenwerking mogelijk (of onmogelijk) maken.
Marxisme:
Verklaring voor IP ligt in kapitalistische wereldeconomie en sociale klassenstructuur. Economische belangen – grondstoffen, handel, uitbuiting – doen de geopolitiek bepalen, leidend tot ongelijke machtsstructuren, imperialisme en hegemonie van kernlanden over de periferie (minder ontwikkelde landen/reogio's ten aanzien van het centrum). Zie ook effect van bedrijven (in hun winstbejag) om politiek voor hun kar te spannen (want kunnen wegtrekken; werkgelegenheid, inkomsten staat, ...).
- Neo-Gramscianen: Hegemonie! = de dominante positie van één staat binnen het wereldsysteem die z'n wil aan anderen oplegt. (vb: VS in koude oorlog).
- Wereld-systeem-analyse: zie hiernaast.
Wereld-systeem-analyse: bekijkt kapitalisme niet per land, maar als een wereldwijd systeem dat sinds ongeveer 1900 bestaat.
->De kern van deze theorie is de verdeling van de wereld in drie economische zones op basis van hun productie:
-> Het is volgens deze theorie moeilijk vr landen om vanuit de periferie op te klimmen naar de kern.
-> De analyse beschrijft ook de opkomst en het verval van hegemonische grootmachten (zoals de VS, Groot-Brittannië en de Nederlanden in het verleden) die tijdelijk domineren op vlak van productie, financiën en handel maar dan vervallen met 'hegemonische oorlogen' tot gevolg.
(Conflict waarbij een dominante macht (hegemon) vecht om haar overheersende positie)
- De Kern (Core): Dit zijn de rijke landen waar de productie kennis- en technologie-intensief is. Dit levert de hoogste toegevoegde waarde en winsten op.
- De Periferie: Dit zijn de armere landen die zich richten op arbeidsintensieve massaproductie. Hier is sprake van zware concurrentie, lage toegevoegde waarde en lage winsten.
- De Semi-periferie: Dit zijn landen met een mix van kern- en perifere productie, zoals China, India en Brazilië
Postkolonialisme: Maakt enormiteit vd koloniale/imperialistische erfenis zichtbaar (vb: Chinese eeuw Der Vernedering).
-> Het koloniale en imperialistische verleden heeft tot op vandaag blijvende gevolgen.
- Neokolonialisme: Oud-gekoloniseerde landen blijven politiek en economisch vaak in een ondergeschikte en afhankelijke positie zitten ten opzichte van westerse mogendheden (zie cf. Wereld-systeem-aanlyse).
- Rol racisme in IP: De traditie stelt dat het racistische denken, dat gebruikt werd om kolonialisme te legitimeren, niet zomaar verdwenen is na de formele dekolonisatie.
->
3. Schuivende machtsverhoudingen en conflict + 5 actuele spanningen
- 19e eeuw: Multipolariteit + intensivering kolonialisme en imperialisme.
- WOI en WOII
- Koude oorlog; BIPOLARITEIT (SU/Warschaupact en VS/NAVO) -> Proxywars in zuiden (vb Vietnam).
- '90: Unipolariteit (= leiderschap VS) en optimisme
- 9/11 en War on Terror: 'foreverwars in Afghanistan en Irak.
Vandaag: terug multipolair!
Hedging ('zich indekken tegen risico's) = laveren tussen grootmachten (goede banden onderhouden met verschillende grootmachten) en ze onder elkaar uitspelen.
Trumpisme: America First, handelsprotectionisme, aanval op multilateralesamenwerking, transactionalisme (uit alles deals willen maken). Ziet China als grootste dreiging. Transnationale samenwerking tss nationalistisch rechts.