Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
H8) Socialezekerheidsrecht II: ziekte en arbeidsongeschiktheid - Coggle…
H8) Socialezekerheidsrecht II: ziekte en arbeidsongeschiktheid
Arbeidsongeschiktheid
Oorzaken ziekte
Risque social
: ziek door privéomstandigheden. In Nederland wordt geen onderscheid gemaakt tussen ziekte door werk of privéomstandigheden.
Risque professionnel
: ziek door werk, waarbij de vraag is of de WN voldoende bescherming heeft gekregen.
Wie draagt het risico?
Art. 7:627 BW
: geen arbeid, geen loon.
Art. 7:628 BW
: geen arbeid, maar als het niet verrichten van arbeid in de risicosfeer van de WG ligt, dan blijft de WN recht houden op loon.
Art. 7:629 BW
: ziekte als oorzaak van het niet verrichten van arbeid betekent dat de WN recht heeft op loon.
Definitie
: (1) iemand is ongeschikt (2) voor het verrichten van de bedongen arbeid (3) als gevolg van ziekte, waarbij de ziekte medisch objectief vastgesteld kan worden.
Vaststellen arbeidsongeschiktheid
Arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door een bedrijfsarts of Arboarts (
art. 14 Arbowet
). Bedrijfsarts is een medisch specialist, terwijl een arboarts een basisarts is. Als WN het niet eens is met de beoordeling van de arts, kan hij een tweede mening vragen van een andere arts of een deskundigenoordeel aanvragen bij het UWV (
art. 32 SUWI
).
Ziektewet (kortdurende arbeidsongeschikt)
Art. 19 lid 1 ZW
: WN heeft recht op ziekengeld als hij arbeidsongeschikt is door ziekte, welke medisch objectief vastgesteld wordt. Het ziekengeld wordt verstrekt krachtens de bepalingen in de ziektewet.
Ziek betekent niet altijd arbeidsongeschikt. Iemand kan ziek zijn, maar niet abeidsongeschikt, zoals bij een gebroken been en een kantoorbaan. Omgekeerd kan iemand niet ziek zijn, maar wel arbeidsongeschikt. Ook is het mogelijk dat iemand zowel ziek als arbeidsongeschikt is.
Voorwaarden ontstaan recht op ziekengeld - art. 19 ZW
Voorwaarden
(1) Verzekerd zijn of zijn geweest: de WN moet verzekerd zijn o.b.v. de Ziektewet (
art. 3-8c ZW
).
Art. 20 ZW
: alle WN met een privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn verzeker (
art. 3 ZW
).
(2) Arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte: (a) de WN moet door ziekte niet in staat zijn om arbeid te verrichten (b) een causaal verband moet bestaan tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid (c) de ziekte moet medisch objectief bepaalbaar zijn.
(3) Geen uitsluitingsgronden van toepassing: recht op ziekengeld vervalt als een van de in de wet genoemde uitsluitingsgronden van toepassing is.
Ongeschiktheid voor verrichten van zijn arbeid
Art. 19 lid 1 ZW
: verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld.
Art. 19 lid 1 ZW
: bedongen arbeid vs. 'zijn' arbeid
Vangnetter met WG
: werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de laatstelijk verrichte arbeid (feitelijke werkzaamheden vormen dus de maatschap en dus niet de bedongen werkzaamheden als bedoeld in art. 7:629 lid 1 BW.
Vangnetter zonder WG
: art. 19 lid 5 ZW: werkzaamheden die bij een soortgelijke WG gewoonlijk kenmerkend zijn voor de arbeid (gebaseerd op de laatstelijk verrichte arbeid).
Bij recht op loon geen recht op uitkering
Als een WN recht heeft op loon o.b.v.
art. 7:629 lid 1 BW
of
art. 7:639 BW
, wordt geen ziekengeld uitgekeerd o.b.v.
art. 29 lid 1 ZW
. Een WN behoudt gedurende max. 104 weken recht op doorbetaling van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde dagloon als hij door ziekte niet in staat is de afgesproken arbeid uit te voeren. Als 70% van het loon lager is dan het minimumloon, moet tijdens de eerste 52 weken ten minste het minimumloon betaald worden.
Art. 7:629 lid 3 BW
: somt situaties op waarin een WN geen recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte (loonstop). Bijv. wanneer WN het eigen herstel belemmert, zonder goede reden weigert om passend werk te verrichten of niet meewerkt aan en plan van aanpak. Ook mag WG bij een ziekmelding max. 2 wachtdagen instellen waarin geen loon wordt betaald (
lid 9
).
Opschorting van de loondoorbetalingsplicht
Art. 7:629 lid 6 BW
: opschorting van de loonbetalingsplicht. WG is bevoegd om redelijke, schriftelijke, controlevoorschriften vast te stellen om vast te stellen of een WN inderdaad ziek is en ook aan de voorwaarden voor doorbetaling van loon voldoet. Houdt de WN zich niet aan deze voorschriften, dan is WG bevoegd de loondoorbetaling op te schorten. Blijkt later dat de WN werkelijk arbeidsongeschikt was wegens ziekte, dan dient het loon alsnog met terugwerkende kracht te worden betaald.
Art. 7:629 lid 3 en 4 BW
: uitzonderingen waarbij WN geen recht heeft op loondoorbetaling. VB: wanneer ziekte opzettelijk wordt veroozaakt, zowel dit zelfden voorkomt omdat opzet specifiek gericht moet zijn op het ziek worden. Daarnaast kan het recht op loondoorbetaling vervallen als sanctie wanneer WN niet meewerkt aan re-integratie.
Recht op loon en ziekengeld
Algemene regel
: WN die recht heeft op loon bij ziekte heeft geen recht op ziekengeld. Echter, op deze regel bestaan 3 uitzonderingen. WN me teen AOVK die tot deze uitzonderingscategorieën behoren, hebben recht op zowel loon als ziekengeld. In deze gevallen mag WG het bedrag van ziekengeld in mindering brengen op het loon dat hij verschuldigd is -
art. 7:629 lid 5 BW
.
(2)
Verzekerden die arbeidsongeschikt zijn ten gevolge van een orgaandonatie (
art. 29 lid 2 onder e en lid 8 ZW
).
(3)
WN met een structurele functionele beperking (arbeidsgehandicapten (no-risk-polis)) (
art. 29 lid 2 onder g en art. 29b ZW
).
(1)
Vrouwen die ten gevolge van zwangerschap of bevalling ziek zijn (
art. 29 lid 2 onder f en art. 29a ZW
).
No-riskpolis en mededelingsplicht
Mededelingsplicht van WN bestaat pas nadat het dienstverband 2 maanden heeft geduurd.
Onder de groep van verzekerden die een beroep kan doen op de no-risk-polis behoren personen die voor hun dienstbetrekking recht hadden op een uitkering o.b.v. de WIA + de WN die niet ins staat zijn tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen WG, maar geen uitkering van de WIA krijgen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn.
WN heeft functionele beperkingen die hem niet beletten duurzaam de overeengekomen arbeid te verrichten bij de sollicitatie niet aan de WG bekend te maken. WG mag hier ook niet naar vragen.
De Ziektewet als vangnet
Ziektewet biedt een vangnet voor WN die geen recht meer hebben op doorbetaling van loon tijdens ziekte. Art. 29 lid 2 ZW: specifiek van toepassing op zogenoemde 'vangletters zonder werkgever'. Deze categorie omvat WN die verzekerd zijn o.b.v. art. 4 en 5 ZW, waarbij hun arbeidsverhouding wordt gelijkgesteld aan een verzekeringsplichtige dienstbetrekking, hoewel zij geen AOVK hebben.
Situaties waarin ziekengeld wordt verstrekt:
(2)
Ziekte werklozen en ziekengeld: een zieke werkloze kan ook voor ziekengeld in aanmerking komen, indien de werkloze recht heeft op een WW-uitkering, komt het recht op ziekengeld pas in werking na 13 weken van arbeidsongeschiktheid -
art. 29 lid 2 onder d ZW
. De verzekerde wiens dienstbetrekking is geëindigd, maar geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering komt wel in onmiddellijk na het intreden van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking voor ziekengeld -
art. 29 lid 2 onder d ZW
.
(3)
Ziekengeld na beëindiging verzekering: WN die binnen 4 weken na het einde van hun verzekering arbeidsongeschikt raken, behouden het recht op ziekengeld alsof de verzekering niet beëindigd is (
art. 46 lid 1 ZW en art. 29 lid 2 onder b ZW
).
(1)
Einde AOVK tijdens ziekte: als de AOVK van een WN eindigt tijdens de eerste 104 weken van ziekte, eindigt ook de loondoorbetalingsverplichting van de WG. Na het beëindigen van de AOVK kan de WN in aanmerking komen voor ziekengeld. Gedurende de eerste 2 jaar van ziekte geldt wel een opzegverbod om loonbetalingsverplichting van WG te waarborgen -
art. 7:670 lid 1 BW
.
Arbeidsongeschiktheid als voorwaarde voor recht op ziekengeld
Art. 19 ZW
: er moet een causaal verband tussen het ziek zijn en het niet kunnen werken bestaan. Enerzijds wordt gekeken of sprake is van ziekte, dat wil zeggen een in de medische wetenschap erkende aandoening. Anderzijds wordt gekeken of op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten of niet kan/mag worden gewerkt.
Art. 19 lid 1 ZW
: gedurende het eerste ziektejaar geldt voor alle verzekerden dat recht op ziekengeld bestaat wanneer WN verhinderd is 'zijn arbeid' te verrichten. Met het begrip van 'zijn arbeid' wordt als regel gedoeld op de arbeid die laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid door de WN werd verricht. Hier ligt een verschil met de bepaling in het BW over loondoorbetaling tijdens ziekte - art. 7:629 BW. Daar gaat het om het niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid.
Arbeidsongeschiktheid
: het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Of de WN ziek is. wordt beoordeeld door de verzekeringsarts van het UWV, waarna het UWV een besluit neemt over toekenning, intrekking of weigering van ziekengeld.
Hoogte en duur van het ziekengeld
Art. 29 lid 14 ZW
: ziekteperiodes die elkaar binnen 4 weken opvolgen, worden samengevoegd.
Art. 7:629 lid 1 BW
: WN heeft bij ziekte gedurende 104 weken recht op 70% van het maximale dagloon. Tijdens de eerste 52 weken ontvangt de WN minimaal het wettelijke minimumloon.
Art. 29 lid 5 ZW
: ziekengeld wordt niet uitgekeerd na een periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid.
Art. 29 lid 7 ZW
: de hoogte van het ziekengeld is vastgesteld op 70% van het dagloon.
Art. 29 lid 3 ZW
: de eerste ziektedag is de werkdag waarop door ziekte niet meer gewerkt wordt.
Art. 29 lid 7 ZW
: Hoewel het ziekengeld doorgaans 70% van het dagloon bedraadt, bestaan hierop 3 uitzonderingen, waarbij WN recht hebben op 100% van het dagloon. Voor deze groepen geldt een verhoogde uitkering. Het ziekengeld wordt maximaal 104 weken uitgekeerd, te rekenen vanaf de eerste dag waarop de WN door ziekte niet meer kan werken of het werk heeft moeten staken.
(3)
WN met een arbeidsbeperking
(2)
WN die ziek zijn vanwege zwangerschap of bevalling
(1)
WN die ziek zijn door een orgaandonatie
Om voor ziekengeld in aanmerking te koen moet men bij het inreden van de arbeidsongeschiktheid verzekerd zijn geweest. Daarnaast moet de arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte -
art. 19 lid 1 ZW
.
Einde van het recht op ziekengeld
Zwangerschaps- of bevallingsuitkering
: de WN gaat een uitkering o.b.v. de WAZO ontvangen.
Pensioensgerechtigheid
: de WN bereikt de pensioengerechtigde leeftijd.
Herstel
: de WN wordt weer geschikt om zijn arbeid te verrichten.
Overlijden
: het recht op ziekengeld vervalt bij het overlijden van de WN.
Het recht op ziekengeld kan al vóór het bereiken van de maximumduur van 104 weken eindigen. Dit gebeurt in de volgende situaties.
Uitsluitingsgrond
: ook eindigt het recht op ziekengeld als zich een uitsluitingsgrond voordoet.
Re-integratie
Art. 29g ZW
: aantal verplichtingen opgenomen voor de persoon die ziekengeld ontvangt, gericht op het beperken van de arbeidsongeschiktheid en het bevorderen van re-integratie.
Lid 2
: de verzekerde is in ieder geval verlicht om: (
sub a
) zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het IWV daartoe opdracht heeft en zijn genezing niet te belemmeren (
sub b
) mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn inschakeling in de arbeid, die het UWV wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid (
sub c
) mee te werken aan aanpassingen van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het UWV voor verkrijging van mogelijkheden tot passende arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorziening te verkrijgen (
sub d
) mee te werken aan opstellen van een plan van aanpak.
Lid 1
: de verzekerde die ziekengeld ontvangt, moet in voldoende mate trachten om mogelijkheden voor het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.
Art. 30 lid 1 ZW
: een zieke WN is verplicht om:
(3)
Geen eisen te stellen in verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
(2)
In voldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen.
(1)
Passende arbeid te verrichten indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld.
Gedurende de eerste 6 maanden van ziekte waarin echt bestaat op ziekengeld, wordt passende arbeid definieert als arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de WN ziek is geworden. Na deze periode van 6 maanden geldt dat alle arbeid passend is, mits deze arbeid aansluit bij de krachten en bekwaamheden van WN, tenzij het aanvaarden van deze arbeid om lichamelijke, geestelijke of sociale redenen niet van hem gevergd kan worden.
Taken van het UWV
: het UWV is verantwoordelijk voor de begeleiding van uitkeringsgerechtigde vangsetters zonder WG -
art. 30a lid 1 wet SUWI
en
art. 26 lid 1 WIA
. Dit betreft WN die geen WG hebben, maar wel in aanmerking komen voor een uitkering, zoals WN in de ziektewet. Voor de overige WN geldt dat zij zelden direct contact hebben met het UWV, aangezien de WG in dit geval het loon moet doorbetalen. De controle en begeleiding ligt hierbij in de handen van de bedrijfsarts van de WG.
Verplichtingen van de werkgever
: op de WG rusten in de eerste 2 ziektejaren eveneens verplichting i.v.m. re-integratie van een zieke WN. Schending daarvan wordt normaal gesproken gesanctioneerd met een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting, nadat de 104 weken zijn verstreken met 52 weken -
artt. 25 lid 9 WIA jo. art. 7:629 lid 11 BW
.
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
WIA regelt de uitkering voor WN die langdurig arbeidsongeschikt zijn. De Wet voorziet echter niet in uitkering voor personen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn geworden. De WIA legt daarnaast verzwaarde verantwoordelijkheid bij zowel WG als WN. WG moeten zich inzetten voor het voorkomen van arbeidsuitval en het bevorderen van snelle herintreding van WN. Meer nadruk op re-integratie dan op landurig ziekteverzuim.
Systematiek WIA
IVA-uitkering -
art. 4 WIA
Bestemd voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte WN. Zij kunnen na een wachttijd van doorgaans 104 weken aansprak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering -
art. 47 WIA
- en bedraagt 70% van het maandloon -
art. 51 WIA
.
WGA-uitkering -
art. 5 WIA
Bestemd voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten en volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikten. Zij hebben na verstrijken van de wachttijd recht op een uitkering o.b.v. WGA -
art. 54 WIA
. Binnen de WGA bestaan verschillende uitkeringen.
Loongerelateerde uitkering
: degene die aan een bepaalde referte-eis voldoet, kan in aanmerking komen voor de loongerelateerde uitkering van eerst 75% en daarna 70% van het maandloon (duur is afhankelijk van arbeidsverleden).
Aanvullingsuitkering
: verzekerde die erin slaagt arbeid te verkrijgen waarmee hij tenminste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit verdient, komt in aanmerking voor de zogeheten aanvullingsuitkering
Vervolguitkering
: deze beloopt een bepaald percentage van het minimumloon. Het uitkeringspercentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Beoordeling arbeidsongeschiktheid
Vaststellen arbeid(on)geschiktheid (WIA)
:
(1) Verzekeringsgeneeskundig onderzoek (door UWV)
: het beoordeelt de medische beperkingen van de werknemer en stelt een functionele mogelijkhedenlijst op. Al geen benutbare mogelijkheden bestaan voor de WN, is de WN op medische gronden ongeschikt
(2) Arbeidskundig onderzoek
: beoordeelt het maatmaninkomen en het restinkomen. De arbeidsongeschiktheid wordt berekend als percentage o.b.v. de vergelijking tussen maatman- en restinkomen. Hoe lager het restinkomen t.o.v. het maatmaninkomen, hoe groter de arbeidsongeschiktheid.
Maatmaninkomen
: inkomen dat gezonde personen met een vergelijkbare opleiding en ervaring als de arbeidsongeschikte WN, in de omgeving naar de WN werkt, gewoonlijk verdienen -
art. 1 WIA
.
Bij de WIA draait het niet om de vraag of een WN zijn eigen arbeid nog kan verrichten door arbeidsongeschiktheid, maar de vraag of de WN ins staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid een bepaald inkomen te verdienen.
Resterende verdiencapaciteit
: inkomen dat de WN nog kan verdienen met algemeen geaccepteerde arbeid die past bij zijn krachten en bekwaamheden - art. 6 lid 3 WIA. Bij het vaststellen van deze verdiencapaciteit wordt de zogenaamde medianen loonwaarde gebruikt. Dat is het loon pe duur van de middelste functie in de betreffende arbeidsmarkt.
Berekening arbeidsongeschiktheidspercentage
Overige vereisten voor een WIA-uitkering zijn
: (1) de betrokkene moet verzekerd zijn op het moment dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden (2) wachttijd hebben doorlopen (3) geen uitsluitingsgrond van toepassing (art. 43 WIA). De belangrijkste zijn pensioen en detentie.
Arbeidsongeschiktheidspecentage = (maatmaninkomen - restinkomen) / maatmaninkomen x 100%
Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
: percentage tussen 35% en 80% > recht op WGA-uitkering kan bestaan.
Geen recht op WIA-uitkering
: percentage lager dan 35% > geen recht op een WIA-uitkering. Is WN niet in staat zijn eigen arbeid te verrichten en slaagt deze niet in andere arbeid te verwerven, dan zou zij voor zijn inkomensvoorziening een beroep moeten doen op de WW of participatiewet.
Volledige arbeidsongeschiktheid
: percentage hoger dan 80% > recht op een IVA-uitkering bij duurzame arbeidsongeschiktheid
Hoogte en duur van de uitkering. Deze is afhankelijk van het type en mate van arbeidsongeschiktheid.
(2) Loongerelateerde WGA-uitkering
Duur
: afhankelijk van het arbeidsverleden van de betrokkene - art. 59 WIA.
Hoogte
: 75% van het laatstverdiende loon voor de eerste 2 maanden 75% en daarna 70% van het maandloon - art. 61 WIA.
Voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikten die voldoen aan de referte-eis (26 weken gewerkt in de voorafgaande 36 maanden) - art. 58 WIA. na afloop daarvan kunnen zij eventueel aanspraak maken op een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
(3) Loonaanvullings- en vervolguitkering (WGA)
Nadat de loongerelateerde WGA-uitkering is geëindigd, komt de gedeeltelijk arbeidsongeschikte verzekerde in aanmerking voor een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
Loonaanvullingsuitkering
: voor wie 50% of meer van de restverdiencapaciteit benut (berekend o.b.v. het laatstverdiende loon en het restinkomen)
Vervolguitkering
: bedraagt een bepaald percentage van het minimumloon. Het uitkeringspercentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid - art. 62 WIA. De loonaanvullingsuitkering is ten minste gelijk aan de vervolguitkering - art. 61 lid 5 WIA.
(1) IVA-uitkering
(volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid)
Hoogte
: 75% van het maandloon per kalendermaand - art. 51 WIA
Duur
: duurt tot de pensioengerechtigde leeftijd of bij overleden van de verzekerde - art. 49 WIA
Het arbeidsverleden bestaat uit de samenstelling van een fictief en een reëel deel (art. 15 lid 1 WIA).
Fictieve deel
: gelijk aan het aantal jaren van en met inbegrip van het jaar waarin de WN 18 jaar werd tot 1998.
Reële deel
: gevormd door het aantal kalenderjaren gelegen in de periode en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan, waarover de WN tot 2013 over ten minste 52 dagen en vanaf 2013 208 uren of meer loon heeft ontvangen.