Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Modellen v.d. welvaartsstaat, Historische ontwikkeling welvaartsstaat,…
Modellen v.d. welvaartsstaat
Functionele types (Titmuss, 1974)
Residual
markt en gezin staan centraal, sociaal beleid vult de gaten op
Industrial-achievement
verdienste staat centraal, sociaal beleid als
aanvulling van de economie
Institutional redistributive
sociaal beleid staat centraal in de organisatie van de samenleving, universele dienstverlening voor burgers
Ideaaltypes (Esping-Andersen, 1991)
Liberaal
lage decommodificatie, marktgericht (VK, VS)
Conservatief-corporatistisch
gebaseerd op status en werk (Duitsland, België)
Sociaal-democratisch
universele dekking, hoge decommodificatie (Zweden)
Variaties van kapitalisme (Hall & Soskice, 2001)
Liberal Market Economy (LME)
marktgestuurd, korte termijn (VS)
Coordinated Market Economy (CME)
overleggestuurd, lange termijn (Duitsland)
Later ook: mixed, hierarchical, network en dependent market economies
Historische ontwikkeling welvaartsstaat
Early Poor Laws (1500–1900)
Hulp via familie of liefdadigheid door kerk en burgers.
Armenzorg door gemeenten, gebaseerd op moraliserende en repressieve benaderingen.
Sociale kwestie & opkomst moderne sociale zekerheid (1870–1944)
Industrialisering bracht armoede, slechte werkomstandigheden en urbanisatie.
Ontstaan van mutualiteiten, coöperaties en vakbonden.
Eerste wetten rond arbeid en sociale verzekering.
Overgang van “laissez-faire” (nachtwakersstaat) naar “etat protecteur” (verzorgingsstaat).
Naoorlogse ‘gouden’ periode (1944–1974)
Volledige tewerkstelling, economische groei, socialisering van nationaal inkomen.
Beveridge-rapport als blauwdruk voor universele sociale bescherming.
Veralgemening van sociale zekerheidssystemen.
Permanente besparingen (1974–1997)
Oliecrises, stijgende werkloosheid, vergrijzing en globalisering.
Besparingsbeleid en hervormingen in uitkeringsvoorwaarden.
Problemen met financiering door atypische arbeid en lagere bijdragen.
Van actieve welvaartsstaat naar sociale investeringsstaat (1997–heden)
Focus op re-integratie via werk, scholing en preventie i.p.v. enkel uitkering.
Aandacht voor nieuwe risico’s zoals werk-privébalans, mantelzorg en digitalisering.
Beïnvloed door neoliberalisme en beleidsmodellen uit o.a. VK en Duitsland.
Spelers v.d. welvaartsstaat
Publieke sector
Overheid, agentschappen, sociale zekerheidsinstellingen
(+) Rechtengebaseerde uitkeringen, brede dekking, herverdeling
(-) Kans op misbeheer, discretionaire beslissingen
Private sector
Verzekeraars, bedrijven, banken
(+) Aanvullende voordelen, flexibiliteit
(-) Duur, niet universeel, risico op onderverzekering
Maatschappelijke sector
Mutualiteiten, vakbonden, buurtorganisaties
(+) Brugfunctie tussen overheid en burger
(-) Selectieve toegang, beperkte impact op systeemveranderingen
Informele sector
Familie, gemeenschap
(+) Dicht bij noden, snelle respons
(-) Niet structureel, kwetsbaar voor schokken