Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Psychologisch perspectief: H2 - Coggle Diagram
Psychologisch perspectief: H2
Overzicht van de perspectieven op ontwikkeling
1.Psychodynamisch perspectief
Freud
– psychoseksuele ontwikkeling
Erikson
– psychosociale ontwikkeling
2. Behavioristisch perspectief
Pavlov
– klassieke conditionering
Skinner
– operante conditionering
Bandura
– sociaal-cognitieve leertheorie (leren door observatie)
3. Cognitief perspectief
Piaget
– cognitieve ontwikkeling
Informatie-verwerkingstheorie
4. Systemisch perspectief
Bronfenbrenner
– bio-ecologisch model
Vygotsky
– sociaal-culturele theorie
Kohlberg
– morele ontwikkeling
5. Evolutionair perspectief
Bowlby
– hechtingstheorie
Erikson: Psychosociale ontwikkeling
Ontwikkeling doorheen
8 fasen
met telkens een
kernconflict.
Persoonlijkheid gevormd door:
Innerlijke conflicten
Sociale interacties
Oplossing van conflicten = groei + integratie van het "ik"
De 8 fasen van Erikson:
0–1 j Baby Basisvertrouwen vs. wantrouwen
1–4 j Peuter Autonomie vs. schaamte en twijfel
4–6 j Kleuter Initiatief vs. schuld
6–12 j Kind Competentie vs. minderwaardigheid
13–22 j Adolescent Identiteit vs. identiteitsverwarring
22–40 j Jongvolwassene Intimiteit vs. isolement
40–65 j Volwassene Generativiteit vs. stagnatie
65+ j Oudere Integriteit vs. wanhoop
Piaget: Cognitieve ontwikkeling
Ontwikkeling = actief proces van aanpassing (adaptatie) aan de wereld
Door denkschema's te vormen
Kernmechanismen:
Assimilatie
: nieuwe info verwerken binnen bestaande schema’s
Accommodatie
: schema aanpassen aan nieuwe info
Equilibratie
: evenwicht tussen denken en werkelijkheid
Organisatie
: eenvoudige schema’s worden gecombineerd tot complexere structuren
Piagets 4 ontwikkelingsfasen:
1. Sensomotorisch stadium (0–2 j)
Zintuigen + motoriek = leren
Objectpermanentie
2. Preoperationeel stadium (2–7 j)
Egocentrisme
Centratie: focus op 1 kenmerk
Geen conservatiebegrip (bv. water in verschillende glazen)
Irreversibel denken
3.Concreet-operationeel stadium (7–11 j)
Logisch denken bij concrete situaties
Behoud (conservatie)
Reversibel denken mogelijk
4.Formeel-operationeel stadium (12–16 j)
Abstract en hypothetisch denken
Deductie en inductie
Zelfreflectie
5. Postformeel denken (vanaf 25 j – later toegevoegd)
Subjectiviteit en relativisme
Pragmatisch en flexibel denken
Vygotsky: Sociaal-culturele theorie
Kind leert door sociale interactie.
Zone van naaste ontwikkeling (ZNO):
Wat een kind met hulp kan → kan later autonoom
Scaffolding:
Ondersteuning van een meer competente persoon
Hulp wordt afgebouwd naarmate kind zelfstandiger wordt
Extra inzichten uit andere perspectieven (kort)
Pavlov
: klassieke conditionering → leren door associatie (hond & bel)
Skinner
: operante conditionering → leren door belonen/straffen
Bandura
: leren via observatie en imitatie (Bobo-doll experiment)
Bronfenbrenner
: ontwikkeling in context van systemen (micro → macro)
Kohlberg
: morele ontwikkeling in fases
Bowlby
: hechting = evolutionair bepaald en cruciaal voor emotionele ontwikkeling
Tips om dit hoofdstuk te studeren
Begrijp elk perspectief als een andere bril om naar ontwikkeling te kijken.
Ken de ontwikkelingsfasen van Erikson en Piaget goed, inclusief kernconflicten en denkkenmerken.
Begrijp de mechanismen: assimilatie, accommodatie, equilibratie.
Maak eigen voorbeelden bij theorieën (bv. eigen gedrag bij Erikson of Piaget).
Oefen de begrippen scaffolding en zone van naaste ontwikkeling in een praktische context.