Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
H6.6 Bloed
6.6.1 Bloedcellen;
6.6.2 Hemopoëse;
6.6.3 Hemostase;
6…
H6.6 Bloed
- 6.6.1 Bloedcellen;
- 6.6.2 Hemopoëse;
- 6.6.3 Hemostase;
- 6.6.4 Bloedplasma.
Bloedcellen:
- In het bloedplasma zweven 2 soorten bloedcellen rond: erytrocyten (rode bloedcellen) en leukocyten (witte bloedcellen). Ook zijn er trombocyten (bloedplaatjes)
Erytrocyten:
- Een man heeft 5,5 miljoen erytrocyten per µl bloed. 95% van de totale hoeveelheid bloedcellen bestaat uit erytrocyten. Hematocriet is het relatieve erytrocytenvolume in het bloed -> bij mannen 40-50% en bij vrouwen 35-45%. - Dode erytrocyten worden in de lever ende milt afgebroken. Daarbij ontstaat het giftige bilirubine.
Leukocyten:
- Er zijn 5000 tot 10000 leukocyten per µl bloed. De leukocyten zijn in 3 grote groepen te verdelen: granulocyten, monocyten en lymfocyten.
Granulocuten:
- Granulocyten hebben een grote kern en opvallend veel korrels (granula) in hun cytoplasma. Granulocyten zijn vooral specialisten in het opruimen van ziekteverwekkers en aangetaste ofdode lichaamscellen. Ze wringen zich door de spelen van de capillairwand en treden uit de bloedbaan genaamd Leukodiapedese.
- Er zijn drie typen granulocyten, gebaseerd op kleuringseigenschappen van de korrels in het lab: neutrofiele granulocyten, eosinofiele granulocyten en basofiele granulocyten.
Monocyten:
- Monocyten zijn de grootste leukocyten, met een vrij grote C-vormige kern. Bij infectie kunnen monocyten door middel van leukodiapedese de bloedbaan verlaten. Ze dringen binnen in geïnfecteerde weefsels waar ze veranderen in macrofagen, die ziekteverwekkende bacteriën en aangetaste lichaamscellen kunnen opruimen.
Lymfocyten:
- Lymfocyten zijn relatief kleine cellen, met een grote kern. Hun aantal kan sterk toenemen, wanneer het lichaam bezig is een infectie te bestrijden. Lymfocyten zorgen voor de specifieke immuniteit van het lichaam.
Trombocyten:
- Trombocyten zijn zeer kleine celfragmenten. Ze bestaan uit een beetje celplasma, omgeven door een grillig verlopende celmembraan. De trombocyten bevatten de zogeheten plaatjesfactor, een stof die een belangrijke rol speelt bij de bloedstolling. Bij beschadiging van het kwetsbare celmembraan komt deze stof vrij
Hemopoëse:
- De hemopoëse (bloedcelvorming) gebeurt grotendeels in het rode beenmerg. Alle bloedcellen hebben een gemeenschappelijke afkomst, namelijk de hemopoëtische stamcellen (bloedstamcellen) die continu door mitose in het rode beenmerg ontstaan. Elke stamcel kan via een aantal celdelingen uitrijpen (differentiëren) tot de voorlopen van een bepaald soort bloedcel. De onrijpe vormen noem je -blasten, de rijpere worden aangeduid met -cyten.
Hemostase:
- Wanneer er een bloeding ontstaat, treedt er bloedstolling -> hemostase op. Dit bestaat uit drie opeenvolgende en elkaar gedeeltelijk overlappende processen: lokale vasoconstrictie, propvorming en coagulatie.
Locale vasoconstructie:
- De gladde spiervezels in de wand van de arteriolen (kleine slagaders) worden tot contractie aangezet. Dit beperkt het bloedverlies.
Propvorming:
- Enkele seconden na de beschadiging beginnen trombocyten zich aan de wondranden en aan elkaar te hechten. Dit gebeurt onder invloed van de vonwillebrandfactor, een stollingsfactor in het bloedplasma. Dit heet primaire hemostase.
Coagulatie:
- De secundaire hemostase is het proces van de coagulatie (vorming van bloedstolsel). Hierbij wordt het bloed minder vloeibaar en gaat het uiteindelijk stollen. De eerste stof die vrijkomt is de weefselfactor komt uit beschadigde weefselcellen. De tweede stof komt vrij uitkapotte trombocyten en wordt de plaatjesfactor genoemd. Het vrijkomen van deze stoffen brengt een complexe reeks enzymatische reacties op gang waarbij elke reactie telkens gekatalyseerd wordt oor de voorgaande. Je noemt deze keten van opeenvolgende reacties de stollingscascade. Uiteindelijk leidt de kettingreactie tot de vorming van fibrine.
Stollingsfactoren:
- Bij de hemostase zijn 13 stollingsfactoren betrokken. De meeste hiervan bevinden zich als interactieve pro-enzymen in het bloed. Het zijn plasma-eiwitten die door de lever worden aangemaakt. Bij de aanmaak van 4 stollingsfactoren is vit K nodig.
Gecompliceerde stollingsproces:
- Door kapotte weefselcellen en trombocyten komen de weefselfactor en de plaatjesfactor vrij.
- Beide stoffen activeren proconvertine (stollingsfactor VII), dat op zijn beurt het interactieve protombine (stollingsfactor II) omzet in trombine. Hiervoor is een aantal andere stollingsfactoren en Ca2+ (stollingsfactor IV) nodig.
- Op zijn beurt stimuleert trombine de omzetting van fibrinogeen (stollingsfactor I) in het onoplosbare taaie eiwit fibrine.
- Fibrinedraden vormen een dicht netwerk in de wondopening. In dit fibrinenetwerk worden bloedcellen gevangen en er ontstaat een stolsel.
- Bij een huidwond krimpen de fibrinedraden door uitdroging aan de lucht. Hierdoor worden de wondranden naar elkaar toegetrokken. Her stolsel wordt daarbij als het ware uitgeknepen, waarbij wondvocht ontstaat. Wondvocht is bloedplasma zonder fibrinogeen. Het stolsel wordt dikker en droger en veranderd in een korst
Weefselherstel:
- Onder invloed van het weefselhormoon histamine, dat door de beschadigde weefselcellen ter plaatst is gevormd, vindt nu vasodilatatie plaats. Dit kan alleen als de wond goed dicht zit.
- De vaatverwijding veroorzaakt meer bloedtoevoer naar het te repareren gebied.
- Rondom de herstellende wond is de huid dan ook altijd roder gekleurd dan de omgeving.
- Door de extra toevoer van zuurstof en voedingsstoffen worden celdeling en celstofwisseling gestimuleerd.
Bloedplasma:
- Bestaat 90% uit water. Rest bestaat uit:
-- Elektrolyten;
-- plasma-eiwitten;
-- Bloedgassen;
-- Tijdelijke aanwezige stoffen.
Elektrolyten:
- Zijn zouten die in het water uiteenvallen in negatieve en positieve deeltjes (Ionen).
- Belangrijkste elektrolyten zijn:
-- Natrium (Na+);
-- Kalium (K+);
-- Calcium (Ca2+);
-- Manesium (Mg2+);
-- Chloor( Cl);
-- Waterstofcarbonaat (HCO3).
Plasma-eiwitten:
- Zijn een groot aantal eiwitten in het bloedplasma, die v.n door de lever worden aangemaakt.
- Belangrijkste soorten plasma-eiwitten zijn:
-- albumine,
-- globuline en,
-- de stollingsfactoren. De helft van de plasma-eiwitten bestaat uit albumine de COW en de bufferende werking worden hierdoor veel beïnvloed
Albumine:
- De helft v/d plasma-eiwitten bestaat uit albumine.
- De COW (colloïd-osmotische waarde) en de bufferende werking worden hierdoor veel beïnvloed.
Globuline:
- Is een verzameling plasma-eiwitten met uiteenlopende functies. Er zijn meerder typen:
-- alfaglobulinen,
-- betaglobulinen en
-- gammaglobulinen.
- De alfa- en betaglobulinen hebben een transportfunctie. De gammaglobulinen, ook wel immunoglobulinen (antistoffen)spelen een belangrijke rol bij de immuniteit van het lichaam.
Stollingsfactoren:
- Spelen een rol bij hemostase. Een van de stollingseiwitten is fibrinogeen, het voorstadium van fibrine. Bloedplasma waaruit fibrinogeen is verwijderd heet bloedserum. Bloedserum wordt gebruikt voor bloedtransfusies
Water:
- Water komt vanuit het darmkanaal in het bloed terecht. Het water functioneert als warmtebuffer: het kan gemakkelijk overtollige warmte opnemen en (elders) ook weer afgeven. Bovendien is water een uitstekend oplosmiddel voor veel stoffen die via de bloedsomloop worden vervoerd, zoals voeringstoffen en elektrolyten.
Bloedgassen:
- In het bloedplasma komen de bloedgassen voor: zuurstof, koolstofdioxide en stikstof. Zuurstof lost niet god op in bloedplasma en de hoeveelheid is dan ook erg klein. Koolstofdioxide wordt juist voornamelijk via het bloedplasma vervoerd.
Tijdelijk aanwezige stoffen:
- Dit zijn onder meer voedingsstoffen afkomstig uit het spijsverteringskanaal. Ook afbraakproducten van de stofwisseling, op weg naar de nieren voor verwijdering, zijn tijdelijk aanwezige stoffen, evenals hormonen en vitamine
BLOED:
- Bloed wordt gerekend tot steunweefsels omdat het bestaat uit bloedcellen in een waterig vloeibare matrix, het bloedplasma. Een persoon van 70 kg heeft ongeveer 7,5% van zijn lichaamsgewicht aan bloed dit komt neer op ruim 5 liter. Ongeveer 45% van het bloed bestaat uit bloedcellen en celfragmenten, de rest is bloedplasma.