4. personages:
- hoofdpersoon: Salomé Henriette Constance Atabong:
- familieleden: Miriam (zus), vader (Kameroen), moeder (Nederland), tante Céleste (Kameroen+Barcelona), oom Honoré (Kameroen), neefje Antoine (Kameroen), opa+oma (Breskens+Vlissingen)
- medewerkers Donut: Frits van Gestel (therapeut), Marco (bewaker/begeleider), Geert (bewaker/begeleider), Savannah (bewaker/begeleider), directeur.
- mededelinquenten: Marissa (vriendin), Zainab (oke), Ashli (vijand), Feline (vriendin van Ashli), Henny (oke), Soraya, Geraldine.
- klasgenoten: Liliana (enige vriendin), Paul (pestkop 1, glazen oog), Salvatore (pestkop 2)
Frits van Gestel: psycholoog/gedragstherapeut jeugddetentiecentrum. Salomé is erg bevooroordeeld over Frits omdat hij een paar jaar eerder heeft meegedaan aan goedkoop entertainment-tvprogramma 'Hello Jungle', Frits heeft het beste met Salomé voor maar heeft moeite om haar vertrouwen te winnen. Hij zegt regelmatig de verkeerde dingen, zoals wanneer hij tegen Salomé zegt: "Je kunt niet zomaar iemand een racist noemen. (...) Ik heb nooit iets racistisch gezegd of gedaan in die show. Ik heb juist groot respect voor jouw cultuur." Gaandeweg het verhaal draait Salomé bij en begint toch met Frits te praten.
Toch blijft er een zeker onbegrip bij beiden aanwezig. Frits begrijpt Salomé's familierelaties niet, hoe haar vader haar traint met een boksbal en haar moeder schouderophalend "meisje, meisje toch" zegt.
Marissa: medegedetineerde. Zit een straf uit voor "iets met drugs en stelen" en mag eerder naar buiten dan Salomé. Geeft Salomé soms goede raad om het leven in de Donut beter uit te houden. Wil na detentie met Salomé gaan 'hangen' in Eindhoven.
Zegt een keer dat Salomé 'dom' is. Deze opmerking blijft Salomé lang bij en komt steeds terug. Ook vindt ze dat Salomé de dingen te moeilijk maakt. (net als haar zus Miriam)
Salomé Atabong: hoofdpersoon en ik-verteller van het verhaal. van het verhaal. Ze is 16 jaar op het moment dat de belevend ik aan het woord is. Ze verblijft 6 maanden in jeugddetentie voor een geweldsincident met twee klasgenoten die haar lange tijd pestten. Ze is introvert, denkt veel na, leest veel, legt verbanden tussen haar eigen leven en Griekse mythen. Opvliegend karakter: incident waardoor ze in de donut zit, perforator gooien omdat ze niet met Frits wil praten.
- Salomé besluit zich in te houden en daardoor denken haar begeleiders dat ze vooruitgang boekt, maar ze toont eigenlijk geen berouw
Vader van Salomé: rustig ogend type met opvliegend karakter. Sloeg Salomé omdat zij zijn horloge (trouwcadeau van zijn moeder uit Kameroen) had kwijtgemaakt. Weet niet hoe om te gaan met het feit dat Salomé wordt gepest:
- geeft als 'goede' raad "dat je niet gepest kan worden als je pestkoppen gewoon negeert"
- kocht een boksbal en liet beide dochters daarop oefenen om "mee te stappen met hun vuist, alsof ze door hun vijand heenslaan"
- sloeg de autoruiten van de buurman kapot omdat die Salomé een kutnegertje noemde
- gebruikt geen woorden als 'racisme' en 'discriminatie', zelfs niet toen hij ontslagen werd
- is van mening dat alles goedkomt door "niet te zeuren en hard te werken"
- vindt tante Céleste een aanstelster
- "Jij bent een kind. Denk je dat ik nooit domme dingen heb gedaan toen ik jong was? Als het iemands schuld is dat je zo bent geworden, is het die van mij."
Tante Céleste: aangetrouwde tante (oudste broer van vader Salomé). Ze vindt alles racistisch. Probeert Salomé van goede raad te voorzien en vindt haar speciaal. "De structuren zijn tegen je gekeerd."
Zus Miriam: "Het draait niet alleen om hoe jij je voelt." Ze spuugde op Salomé's gezicht toen ze ruzie kregen op de parkeerplaats bij de supermarkt, maakte het daarna weer goed. Beaamt dat Salomé gek is en vergelijkt haar met tante Céleste. Ze vindt dat Salomé te moeilijk doet en gewoon "schijt" moet hebben.
Gaat net op kamers wonen als Salomé thuiskomt.