Nederlands blok 1 KGT 2
click to edit
click to edit
Spelling
Fictie
Grammatica
click to edit
fictie: Verzonnen verhalen zijn fictie.
non-fictie: Teksten en beelden over de werkelijkheid vallen onder non-fictie.
realistisch en niet-realistisch
Als een schrijver mensen en gebeurtenissen verzint die erg lijken op de werkelijkheid, noem je het verhaal realistisch.
Als een schrijver een verhaal verzint met veel dingen die in werkelijkheid niet kunnen, dan is het verhaal niet-realistisch.
boeken kiezen
Persoonsvorm
Tijdproef
Je gebruikt de tijdproef om de persoonsvorm in een zin te vinden.
Werkwoorden kunnen in verschillende vormen voorkomen. Bijvoorbeeld als persoonsvorm (pv).
De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die je in de tegenwoordige tijd (tt) en in de verleden tijd (vt) kunt schrijven
Hele werkwoord
voltooid deelwoord
Het hele werkwoord is de werkwoordsvorm zoals die in het woordenboek staat.
Dit is de werkwoordsvorm die bij een persoonsvorm van de werkwoorden hebben, worden of zijn in de zin staat.
zinsdelen
click to edit
Je bouwt met stukjes informatie een zin. Een zin die steeds langer wordt. Je noemt deze stukjes zinsdelen.
Een zinsdeel kan uit één woord bestaan. Vaak telt een zinsdeel meerdere woorden.
Een zin bestaat in elk geval uit twee basisdelen, twee zinsdelen die onmisbaar zijn:
een deel dat ‘zegt’ wat er gebeurt (= werkwoordelijk gezegde/wwg);
een deel dat ‘zegt’ wie/wat het doet (= onderwerp/ond).
werkwoordelijk gezgede
Alle werkwoorden in een zin samen noem je het werkwoordelijk gezegde (wwg). Staat er in de zin maar één werkwoord, dan is dat het werkwoordelijk gezegde.
onderwerp
Om het onderwerp in de zin te vinden, stel je de vraag: Wie of wat + werkwoordelijk gezegde?
Het antwoord op die vraag is het onderwerp.
getalproef
Om het onderwerp in de zin te vinden kun je ook de getalproef gebruiken.
Je verandert de persoonsvorm van enkelvoud in meervoud. Het onderwerp verandert mee.
Hoofdletters
woorden op -heit en -teit
voltooid deelwoord (vdw)
woorden op -ig en -lijk
persoonsvorm TT
Bij ik schrijf je de ik-vorm.
Bij jij, u, hij, zij en het schrijf je de ik-vorm + t.
als de ik-vorm eindigt op een t, dan schrijf je geen extra t;
als je of jij achter de persoonsvorm staat, schrijf je de ik-vorm.
Bij wij, jullie en zij (meervoud) schrijf je het hele werkwoord.
Bij klankveranderende werkwoorden kun je meestal horen hoe je het voltooid deelwoord spelt.
click to edit
Je schrijft een hoofdletter aan het begin van elke zin.
Gisteren heeft Murat de talentenjacht gewonnen.
Ik ben vanmorgen vroeg opgestaan
Alle namen schrijf je met een hoofdletter
woorden op -heit en -teit schrijf je altijd hetzelfde
gezelligheid / specialiteit
Maar let op: heeft het woord echt met tijd te maken? Dan schrijf je niet -teit maar -tijd
zomertijd, etenstijd.
hoor je -ig of -ug aan het einde van het woord, dan schrijf je -ig
hoor je -lijk of -luk aan het einde van het woord dan schrijf je altijd -lijk