Scheikunde Melle
P2 Periodiek Systeem
P3 Atoommassa en molecuulmassa
P4 Significante cijfers
P1 atoommodel
atoommodel van Bohr
elektronenconfiguratie
Dit is een model waarbij het atoom opgebouwd uit een kern met daarin positief geladen protonen en ongeladen neutronen.
Atoommassa
De verdeling van de elektronen per schil.
valentie-elektronen
de elektronen in de buitenste schil.
elementaire ladingsquantum e
atomaire massa-eenheid u
massa-eenheid die bedacht is die beter past bij de massa van en atoom
e is voor de lading van atomaire deeltjes
massagetal
Dit is de som van het aantal kerndeeltjes
atoomnummer
Dit nummer is hetzelfde als het aantal protonen in de kern
istopen
Atomen van hetzelfde element die een verschillend aantal neutronen in de kern hebben
Perioden
Elementen in het periodiek systeem staan gerangschikt in perioden.
Groepen
Edelgassen
Elementen met dezelfde eigenschappen staan in groepen onder elkaar.
Groep 18 is de groep van edelgassen.
alkalimetalen
halogenen
De metaalelementen in groep 1 heten alkalimetalen
in groep 17 staan halogenen
aardkalimetalen
synthetische element
De elementen met een atoomnummer groter dan uranium, met atoomnummer 92
in groep 2 staan aardkalimetalen
halveringstijd
ook wel halfwaardetijd genoemd
radioactief
bij deze elementen wordt straling uitgezonden
De atoommassa is gelijk aan de som van de massa van het aantal protonen en neutronen
relatieve atoommassa A
gemiddelde atoommassa
Je berekend de gemiddelde atoommassa aan de hand van percentages van de isotopen die in de natuur voorkomen
De gemiddelde atoommassa ten opzichte van de massa is de relatieve atoommassa A
relatieve molecuulmassa M
Molecuulmassa
De molecuulmassa bereken je door de atoommassa's van de verschillende elementen bij elkaar op te tellen
De rerelatieve molecuulmassa M is bijna hetzelfde als de relatieve atoommassa A, zonder eenheid.
click to edit
Wetenschappelijke notatie
De meetwaarde in een getal tussen 1 en 10 en verder wordt als een macht van 10 opgeschreven
Significante cijfers
Significante cijfers zijn cijfers die ertoe doen, ook wel betekenisvolle cijfers.
Telwaarde
Het aantal protonen in een kern is een vast aantal. Dit is een telwaarde
Meetwaarde
De dichtheid p
Eenheid
Een grootheid wordt uitgedrukt in een eenheid
Grootheid
Bij experimenten geeft men de gemeten waarden als grootheid
H2
P3
P4
P2
P1
Je gebruikt bij scheikunde de grootheden massa en volume. Het kan ook in aantallen, dat is dan in atomen en moleculen. Het symbool voor het aantal deeltjes is N. Je berekent het aantal deeltjes met de formule: N(X) = m : m(X). m = de massa in gram van stof X. m(X) = de massa in gram van 1 deeltje X. N(X) = het aantal deeltjes X. De hoeveelheid van een stof uitgedrukt in deeltjes heet de chemische hoeveelheid. De eenheid van dat is mol. Het is makkelijk om daar mee te rekenen. Het aantal 6,02x10 23 is gelijk aan 1 mol. 1 mol van elke stof bevat dit aan deeltjes. 1 mol is dus aan standaard hoeveelheid deeltjes. De chemische hoeveelheid geef je weer als het symbool n. 1 mol water schrijf je op als n(H2O)
Zo kan je het aantal deeltjes omrekenen naar mol en anderson
Van elke stof is 1 mol hetzelfde als 6,02x10 23 deeltjes. De massa van 1 mol is wel anders voor elke stof. Afhankelijk van elke stof is er een verband tussen de chemische hoeveelheid en de massa, dit heet de molaire massa. De molaire massa van een stof is de massa in gram van 1 mol stof. M is het symbool van de molaire massa. De molaire massa kun je bepalen door de molecuulmassa te berekenen en de eenheid u te veranderen in in g mol -1.
Zo kan je rekenen van mol naar gram
Bij een mengsel moet je vaak de hoeveelheid van een bestandsdeel of component bereken. Di hoeveelheid noem je een gehalte. Meestal geef je een gehalte weer in verschillend eenheden. om een gehalte weer te geven heb je de hoeveelheid van de component nodig en de hoeveelheid van het totale mengsel. Bij vloeistoffen word het aangegeven in milliliter van het component en per liter van het het mengsel. En met vaste stoffen in gram van het component en per kilogram van het mengsel. Vaak wordt het gehalte uitgedrukt in het massapercentage en het volumepercentage. Voor kleine hoeveelheden van een stof in een mengsel kun je in plaats van percentage promillage gebruiken, het duizendste deel. Heb je met hele kleine hoeveelheden te maken gebruik je ppm of ppb. Ppm is voor het aantal deeltjes per miljoen en ppb is voor het aantal deeltjes per miljard. Om de gezondheid van mensen te beschermen zijn er voor stoffen grenswaarden ingevoerd. Deze grenswaarden heten TGG-waarden. De TGG-waarde geeft aan hoeveel milligram van een stof maximaal in kubieke meter lucht mag voorkomen zonder dat het ongezond word.
Zo bereken je het massapercentage en het volumepercentage.
Uit de reactie vergelijking kun je de mol verhouding afleiden waarin de stoffen reageren en ontstaan. Door het aantal mol om te rekenen in het aantal gram of het aantal liter kun je precies bereken welke hoeveelheden nodig zijn. Het is handig om hier een stappenplan te gebruiken. Als je bij een reactie de beginstoffen niet in de juiste verhouding hebt, verloopt de reactie net zolang totdat een van de beginstoffen op is. Je houdt dan een bepaalde hoeveelheid van de andere beginstof over. Dit heet overmaat. Bij rekenen van reacties kan je ook het stappenplan volgen.
Het stappenplan
Stap 1 Geef de reactievergelijking.
Stap 2 Ga na van welke stof de massa of het volume is gegeven en van welke stof de mass of het volume wordt gevraagd
Stap 3 Bepaal uit de coëfciënten de molverhoudìng tussen de gegeven en de gevraagde stof. Eventueel kun je deze vereenvoudigen (2 : 4 wordt 1 : 2).
Stap 4 Bereken het aantal 11101 van de gegeven stof.
Stap 5 Maak een omzettingstabel. In deze tabel noteer je van elke stof de beginhoeveelheid (in mol). Vervolgens schrijf je eronder wat er bij de reactie verdwijnt of ontstaat; hiervoor gebruik je de molverhoudíng. Tot slot noteer je de hoeveelheid van de stoffen na de reactie.
Stap 6 Reken de hoeveelheid gevraagde stof om in de juiste eenheid.
Stap 7 Controleer je antwoord.