In de inleiding van het boek concludeerd Gerhard aan de hand van 2 boeken dat volgens hem, in de Tweede Wereldoorlog, de geallieerden te weinig hebben gedaan om het doden van Joden en etnische meerderheden te stoppen of te vertragen. In het tweede deel verteld hij over zijn jeugd: Gerhard Durlacher woont als klein, joods, jongetje in Rotterdam, waar hij heen is gevlucht, samen met zijn vader en moeder, uit Baden-Baden, een badplaats in Zuid-Duitsland. Dat komt door de situatie in nazistisch Duitsland. Hij maakt het bombardement van het centrum van Rotterdam mee (hun huis wordt ook geraakt) en ze proberen te vluchten, via IJmuiden. Maar helaas is alles al afgesloten. Ze verhuizen daarna naar Apeldoorn, waar Gerhard nog een tijdje les krijgt. Hij slaagt voor het toelatingsexamen van de Koninklijke Hogere Burgerschool, maar hij mag niet aan deze opleiding beginnen omdat het voor Joden verboden wordt om les te krijgen in niet-joodse scholen en universiteiten. Hij krijgt privé-les van de directeur van de school en van dr. Wijler, een joodse leraar, die kort daarna zelfmoord pleegt. In het derde deel verteld hij over zijn kampervaringen. Het gezin wordt opgepakt en ze worden gedeporteerd naar Westerbork, en van daaruit naar Theresienstadt. Vanuit Theresienstadt worden ze gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau. Waar Gerhard een nieuwe ‘naam’ krijgt, hij heet voortaan A1321. Hij verwondert zich over waarom ze zo goed behandeld worden, want de mensen aan de andere kant van het hek zien er allemaal zo erg uit; kaal en onder de ziektes en luizen, verhongerd zowat, terwijl hun gedeelte hun haar mag houden en er luizencontroles zijn. Gerhard komt door de selectie van jongens onder de 16 en moet nu werken voor de Nazi's. Zijn moeder komt niet door de selectie en wordt vergast, zijn vader ook. Gerhard moet daarna in een steengroeve werken, wat zeer zwaar is. Veel vrienden gaan dood en zelf heeft hij ook verwondingen. Op een dag, terwijl hij daar aan het werk is, voelt hij zich wegglijden in de diepe put die bewusteloosheid heet, als hij wakker is, is hij bevrijd….
In het vierde deel gaat het over de tijd na de bevrijding. Hij komt in een speciaal ziekenhuis terecht voor de kampgevangenen en als hij sterk genoeg is wordt hij naar Praag gebracht, waar ze in een klooster eten krijgen. Voor hem wordt geregeld dat hij met het vliegtuig naar Parijs kan, want een tocht per legertruck vanuit Praag naar Holland is te vermoeiend. In Parijs krijgt hij weer wat bonnen en geld, waarvan hij leren schoenen koopt, een luxe, want de legerkistjes die men uitdeelt passen niet om zijn verbonden voet. Hij gaat met de trein terug naar Holland, naar Eindhoven, waar een vroegere buurtgenoot hem herkent. Die zorgt ervoor dat hij weer in Apeldoorn terugkomt.