Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
nl blok 4, x - Coggle Diagram
nl blok 4
grammatica
-
Het onderwerp (ond) in een zin vertelt wie of wat dat doet. Het onderwerp is een zinsdeel. Het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde horen bij elkaar.
-
Je ziet: je maakt met stukjes informatie een zin. Een zin kan kort zijn met weinig informatie (Ruben | leert) of langer met meer informatie (Ruben | leert | zijn Engelse woordjes | vanavond | bij de buren.) Je noemt deze stukjes van een zin zinsdelen.
Een zinsdeel kan uit één of meer woorden bestaan.
In elke zin staat een werkwoord. Werkwoorden zijn doe-woorden. Denk maar aan een persoonsvorm als leert of ligt. Maar alleen met een werkwoord heb je nog geen zin. Er moet bij wie of wat leert of ligt.
spelling
De meeste zelfstandige naamwoorden hebben niet alleen een enkelvoud, maar ook een meervoud. Meestal maak je het meervoud door één van de volgende uitgangen te gebruiken: -(e)n of -s. Je hoort vaak hoe je het meervoud moet schrijven.
Vaak kun je niet horen hoe je het voltooid deelwoord spelt. Het voltooid deelwoord eindigt op een t-klank, maar je schrijft soms een t en soms een d. Ook hiervoor gebruik je het hulpmiddel ’t kofschip.
De spelling van klankveranderende werkwoorden kun je altijd horen.
Soms kun je de spelling van klankvaste werkwoorden niet goed horen.
Bij woorden met een g-klank hoor je niet altijd hoe je ze moet spellen. Deze klank wordt verschillend geschreven. Kijk maar naar de volgende woorden: liggen, kuchen. De spelling van deze woorden moet je uit je hoofd leren.
over taal
Als je iets zegt dat je niet letterlijk bedoelt, dan gebruik je figuurlijk taalgebruik
e gebruikt een woordenboek vooral om de betekenis van woorden op te zoeken. Veel woorden hebben meer dan één betekenis. Lees alle betekenissen goed door en kies de betekenis die het best in de tekst past.
Weet je de betekenis nog niet na stap 1, kijk dan of je stukjes van het woord kent. Soms is het woord een samenstelling en kun je de betekenis uit de twee woorden afleiden. Soms heeft het woord een voor- of achtervoegsel waarvan je de betekenis kent.
lezen
Als je een tekst helemaal wilt begrijpen dan ga je deze grondig lezen. Je leest de tekst helemaal goed door, omdat je meer wilt weten over het onderwerp. Moeilijke zinnen lees je extra aandachtig. Als je een tekst grondig gelezen hebt, kun je vragen over de tekst beantwoorden.
Een alinea in een tekst over Ferrari kan bijvoorbeeld gaan over de oprichter van het Italiaanse sportwagenmerk. Een andere alinea kan iets vertellen over de successen van Ferrari in de Formule 1.
Het onderwerp van zo’n alinea heet een deelonderwerp.
schrijven
Neem een tekst of tekstgedeelte uit een bron (krant, tijdschrift, website) nooit zomaar over.
Verander in elk geval moeilijke woorden of te lange zinnen en maak er je eigen tekst van. Schrijf altijd de naam van de bron op als je iets overneemt, ook als je de tekst in je eigen woorden schrijft.
Je hebt geleerd dat een schrijver zijn tekst verdeelt in een inleiding, een middenstuk en een slot . Als je zelf een tekst schrijft, deel je je tekst natuurlijk ook op die manier in.
In de inleiding kun je de lezers bijvoorbeeld vertellen wat het onderwerp van je tekst is. Het middenstuk bestaat meestal uit meer alinea’s. In elke alinea vertel je iets over een deelonderwerp . In het slot sluit je de tekst op een duidelijke manier af. Je kunt bijvoorbeeld een korte samenvatting schrijven of een tip geven.
-
-
-