Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Woordsoorten klas 1 - Coggle Diagram
Woordsoorten klas 1
Zelfstandig naamwoord (zn)
Mensen, dieren, planten, dingen en (gevoelens)
Zelfstandig naamwoord - eigen naam (ZN-E): Iris (meisje), Groevenbeek (school) en Heineken (biermerk)
Het heeft vaak een verkleinwoord: huis - huisje
Je kunt er de, het of een voor zetten.
Het heeft een enkelvoud en meervoud: huis - huizen
Sommige zn hebben geen meervoud: heelal, aarde, tarwe, gerst, mais
Bijvoeglijk naamwoord
Het vertelt iets extra's over het zelfst.nw: Het grote vliegtuig
Staat soms voor en soms achter het zelfst.nw. Het vliegtuig is heel groot.
Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn gemaakt van een werkwoord: een gebroken hart
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: het leren jasje. Het zegt waarvan iets is gemaakt.
Het kent de trappen van vergelijking: mooi, mooier, mooist
Voorzetsel
Het geeft een plaats, tijd of reden/oorzaak aan
Staat meestal voor een lidwoord/voornaamwoord
Je kunt het controleren met een truc: ...... stoel/kast en ..... feestje
op, in, uit, bij, met, onder, naast, boven, tijdens, tussen, om, aan, vanwege, voor, wegens, na.
Lidwoorden (de, het, een)
Bepaald lidwoord: de en het. Concreter
Onbepaald lidwoord: een (tafel) dat kan elke tafel zijn
Werkwoorden
Zelfstandig werkwoord
Geeft aan wat het onderwerp DOET
Als er één werkwoord is, is dit het zww
Is het belangrijkste werkwoord. Je kunt het niet weglaten
Hulpwerkwoord
Met elke zin dan meer één werkwoord
Helpen om het gezegde te maken
Zijn hulpjes en deze kun je dus weglaten