Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Sociale ongelijkheid (Het vraagstuk = Wie krijgt wat en waarom? (Wat :…
Sociale ongelijkheid
Het vraagstuk = Wie krijgt wat en waarom?
Wat : Welke goederen? = verdeling van hulpbronnen. De ene groep heeft meer toegang tot hulpbronnen dan de anderen
van alles wat je hebt om hoger te komen op de sociale ladder
zoals geld/werk/opleiding (zie indicatoren figuur 12.5)
Waarom : Hoe komt het? Welke regels zijn er? Is het stabiel door de tijd? Kan je het veranderen?
Wie : Individuen of bepaalde groepen in de samenleving = lagen/klassen
Ongelijkheid ontstaat als bepaalde kenmerken/eigenschappen van individuen als die samengaan met hulpbronnen of toegang daartoe
VB : mannen en vrouwen hebben allebei andere toegang tot hulpbronnen, zoals mannen worden meer beloond voor werk dan vrouwen. Maar of je rood of bruin haar hebt maakt hierbij niks uit.
kenmerken die samen gaan met hulpbronnen zijn
etniciteit
leeftijd
gender
gezondheid / fysieke kracht
Het verschil ligt in hoe je aan deze eigenschappen komt
verworven (achieved)
Je hebt er voor gewerkt en lang voor gestudeerd
Het zou niet sociaal bepaald moeten zijn, het is niet iets wat je hebt overgenomen van je rijke ouders
Het meritocratische ideaal beeld van de samenleving = Het gaat alleen om dingen die we verworven hebben
verkregen (ascribed)
geerfde eigenschappen zoals lange benen
Verklaringen voor ongelijkheid
Neo klassiek verklaring (micro) van Pareto
Economische benadering = gebaseerd op inkomen
Verschillen komen door verschillen in investeringen in humaan kapitaal = iedereen heeft iets anders ingelegd en krijgt dus ook andere opbrengsten
Geen beïnvloeding van andere condities --> Het hangt af van jouw investering in de taak
sociale klassen spelen geen rol
Voorspeller van inkomen is opleiding (meritocratisch). De investment hangt af van cognitieve vaardigheden (kennis) --> Status is een gevolg van inleg
Conflict theoretische verklaring (macro)
Weber (zie boek)
Ongelijkheid hangt af van meerdere hulpbronnen en de toegang daartoe
Cultureel kapitaal (welke titel je hebt en gewoontes)
Politiek kapitaal (machtzeggenschap)
Hoeveel je bezit (geld/kapitaal)
Sociaal kapitaal (aanzien en je contact met netwerken)
Bourdieu
Ingezoomd op cultureel kapitaal en sociaal kapitaal (mailtje Sara)
Dit is een hulpbron omdat als je je goed kan uitdrukken in taal je verder kan komen
De waarde van je opleiding is eigenlijk beperkt en je moet er nog meer om heen zien.
hoe je de taal beheerst
je moet weten hoe je je gedraagt binnen een institutie
Het gaat ook om hoe je je gedraagt
Habitus (gedrag van de rijken) = zij willen zich altijd onderscheiden
Verschillende kapitaal vormen kunnen elkaar compenseren, dus je kan ergens komen zonder opleiding
Marx
Draait om de verschillen in economische macht (materialisme)
klasse bezitters vs niet klasse bezitters
Pikkety onderzocht wet van accumulatie met veel data (hetzelfde probleem als Marx, wat klopt)
De rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer
Groeiende toename inkomensongelijkheid en vermogen
Verdeling van economisch groeimodel veranderen
Dit kan door de politiek want zij beslissen of ze wel of niet iets doen aan de verdeling in de samenleving
Kritiek
Het gaat maar om 1 dimensie. De samenleving is complexer en heeft veel meer hulpbronnen dan alleen geld
Functionalisme (macro) van Durkheim en Parsons
Sociale verschillen komen door verschillen in normen
Functiewaardering van een beroep bepaalt de beloning
Verschillen komen niet door klassen (legitiem) maar door de context en norm
Als iemand de gangbare normen accepteert dan accepteer je ook de beloning
Status attainment theorie (Micro/Macro) van Blau en Duncan
Moderniseringstheorie (het ideaal)
ongelijkheid niet baseren op de toegeschreven kenmerken (gender bv) waardoor je minder hulpbronnen hebt of op je status die jij hebt verworven, de ascription. Maar op hoe jij presteert en inzet toont dus de achievement (meetbare universalistische criteria)
het is mogelijk om je klasse te verlaten, er is openheid in de sociale stratificatie
sprake van heterogamie (je trouwt met iemand van een andere laag)
Blau en Duncan
onderzoek gedaan naar hoe wij denken over beloningen --> in hoeverre hebben inkomen en beroepsprestige met bepaalde normen hebben te maken (functionalisme)
in welke mate is afkomst belangrijk en in welke mate prestatie
afkomstprincipe = beroep van vader is bepalend voor zoon toekomstige beroep. Ook het beroep vader is bepalend voor opleiding zoon. --> Maar opleiding maakt niet uit, want je belandt toch in hetzelfde werk als je vader.
Prestatieprincipe (merotacratisch) = beroep van vader is niet belangrijk voor jouw toekomst, jouw opleiding bepaalt dat.
vrouwen waren nog niet heel aanwezig op de arbeidsmarkt, dus nog niet veel onderzoek naar gedaan
representatieve steekproef genomen en gevraagd welk cijfer ze zullen geven aan beroepsprestige per beroep op een lijst
zo ontstond er een beroepsprestigeladder en werd het geordend in klasse (beroepsclassificatie)
dit is stabiel tussen tijd, plaats en culturen
de waardering die wij toekennen aan een beroep wordt gemeten
resultaten
de ideeen over modernisering en state of attainment werden bevestigd
invloed van ouders waar kinderen komen is afgenomen. Prestatieprincipe is juist
begonnen bij waardering die een beroep krijgt van de rest van de samenleving
status attainment theorie gaat over het doorgeven van beroepsprestiges van ouders naar kinderen
meritocratische ideaal = de sociale positie is gevolg van 'merites' (verschillende dingen die je hebt achieved --> maar sommige mensen hebben wel voordelen met toegeschreven kenmerken)
Je kan een toegangskaartje verkrijgen door hard te werken en vaardigheden te hebben
2 soorten ongelijkheid die ontstaan door het niet koppelen van hulpbronnen aan toegeschreven kenmerken
ongelijkheid van uitkomsten
er zijn altijd mensen 'beter' dan jou. sommige mensen kunnen gewoon meer
ongelijkheid van kansen
De kans om iets te bereiken (kans op hulpbronnen). Niet iedereen heeft dezelfde kans op hulpbronnen, als iedereen dat wel heeft vinden we de ongelijkheid van uitkomsten minder erg
Discussie
onbedoelde gevolgen van meritocracy
als de gehele samenleving van dit principe uit gaat dan is het moeilijk om de merites vast te stellen
iedereen probeert zijn verworven status te behouden. als ouders een minder slim kind krijgen, willen ze het systeem veranderen maar dat gaat dan dus niet want vaardigheden + hard werken --> dan kom je er wel.n
er wordt geen rekening gehouden met diploma inflatie
uitloper van functionalisme
Vorm van sociale orde / structuur van de samenleving --> Is geen onrechtvaardigheid
Sociale stratificatie systemen = Hoe ongelijkheid in verschillende samenlevingen vorm krijgt door een ordening van machtsverhoudingen --> Ordeningssystemen
standenmaatschappij
slavernij
kastensysteem
Je komt hier in door je geboorte en je kan niet opklimmen --> Hierarchisch onderverdeeld
Functionalistische denkwijze
Iedereen heeft een functie --> Grote geheel moet kunnen functioneren
Het brengt structuur
Indeling in sociale lagen
Verschil in regels en omgangsvormen in iedere laag
verschil in kleding, stijl, taalgebruik om te laten zien bij welke laag je hoort
Sociale mobiliteit en openheid van sociale structuren maken het verschil tussen samenleving --> In welke mate is het mogelijk om op te klimmen naar een andere laag?
Sociale sluiting als dit niet mogelijk is. Verschilt per samenleving (Weber)
Verschil in rechten en plichten --> Verschil in het creëren van hulpbronnen
Recht op zelfbeschikking (niet bij slavernij, vrouwen vroeger met seks in huwelijk), stemrecht, recht op werk/beroep, vestiging
Meten van ongelijkheid
Door de intuitive maat = spreiding van de verdeling (hulpbronnen)
ratio = 10% rijkste delen dooor de 10% armste
gini coefficent = hoe dichter bij de 1, hoe ongelijker
Door quintielen en decielen = wie zijn de 10% rijkste en !0% armste
Prestige van ouders en de samenhang met kinderen
als er een spreiding van hulpbronnen is en die ver uit elkaar liggen dan is er veel ongelijkheid