Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Nederlands lezen h1 en h2 + hh (Herhaling 3+4+5 (Bij een chronologisch…
Nederlands lezen h1 en h2 + hh
Hoofdstuk 1- Vaste tekst structuren 1
Aspectenstructuur
Inleiding: Onderwerp. Middenstuk: Diverse aspecten van het onderwerp. Slot: Samenvatting
Verleden/heden/toekomststructuur
Inleiding: Onderwerp. Middenstuk: Situatie vroeger & situatie nu. Slot: Samenvatting.
Voor en nadelenstructuur
Inleiding: Onderwerp, vraag of stelling. Middenstuk: Voor en nadelen. Slot: Afweging en conclusie
Vraag/antwoordstructuur
Inleiding: Vraag. Middenstuk: Antwoorden. Slot: Samenvatting of conclusie.
Hoofdstuk 2- Vaste tekststructuren 2
Argumentatiestructuur
Inleiding: Stelling of standpunt (eventueel als vraag). Middenstuk: Argumenten voor en tegen de stelling. Slot: Herhaling stelling ( of beantwoording vraag)
Probleemoplossingstructuur
Inleiding: Probleem. Middenstuk: Gevolgen & Oorzaken & Oplossingen. Slot: Beste oplossing.
Verklaringstructuur
Inleiding: Bepaald verschijnsel. Middenstuk: Kenmerken & Voorbeelden + Oorzaken & Redenen & Verklaringen. Slot: Samenvatting
Herhaling 1+2+6
Je leest de tekst oriënterend om het onderwerp te vinden. Je bekijkt de tekst en leest de eerste alinea. In het middenstuk worden de deelonderwerpen besproken. Dat zijn de verschillende aspecten van het onderwerp. Om die te vinden lees je de tekst globaal. Je leest dan van elke alinea de eerste en laatste zin. De hoofdgedachte van de tekst is 1 volledige zin die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt. De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: Wat is het belangrijkste wat in een tekst over het onderwerp wordt gezegd. Je vind de hoofdgedachte meestal in de inleiding of het slot. De hoofdgedachte vind je door de tekst precies te lezen. De hoofdzaken vind je ook in de inleiding of het slot. De kernzinnen zijn de belangrijkste zinnen van een alinea. Dit is meestal de eerste, tweede of laatste zin. Een samenvatting van een tekst schrijf je aan de hand van de kernzinnen en bevat de hoofdgedachte. Je kan zien voor wie een tekst bedoeld is, door te letten op onderwerp, bron, lay-out en taalgebruik.
Herhaling 3+4+5
Bij een chronologisch verband gebeuren de dingen in de juiste tijdsvolgorde
De signaalwoorden zijn: Vroeger, later, nu, nadat & vervolgens
Opsommendverband
De signaalwoorden zijn: Ten eerste, ten tweede, vervolgens, ook, tenslotte, en.
Tegenstellendverband
De signaalwoorden zijn: Daarentegen, maar, hoewel, echter, toch & ofschoon.
Toelichtend verband geeft extra informatie in de vorm van een voorbeeld.
De signaalwoorden zijn: Zo, zoals, bijvoorbeeld, denk aan.
Voorwaardelijk verband. Hier wordt aangegeven onder welke voorwaarde iets gebeurd.
De signaalwoorden zijn: Als, dan, indien, tenzij, wanneer.
Redengevend verband is een verband waarom iemand iets doet of vindt.
De signaalwoorden zijn: Omdat, daarom, dus, want, de reden hiervoor is.
Oorzakelijk verband lijkt op redengevend verband, maar bij een reden bepaal je zelf en bij een oorzakelijk verband gebeurd is buiten je wil om.
De signaalwoorden zijn: Doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is, dus, dankzij.
Concluderend verband
De signaalwoorden zijn: Dus, daarom, kortom, dat houdt in
Mening
Ik vind, volgens mij, lijkt mij, naar mijn mening
Argument. Lijkt op een redengevend verband.
Want, omdat, namelijk, immers
Hoofdstuk 3: Argumentatie
Vaak wil de schrijver van een tekst de lezer overtuigen van zijn standpunt of mening. Hij probeert met argumenten uit te leggen waarom hij dit vindt.Dat noem je ook wel onderbouwen. Er zijn feitelijke en niet feitelijke argumenten. Bij een feitelijk argument kun je controleren of het waar is of niet. Bij een niet feitelijk argument kan dat niet.
Als een schrijver zijn standpunt met 1 argument onderbouwt, noem je dat enkelvoudige argumentatie. Meestal gebruik een schrijver meerdere argumenten om zijn mening kracht bij te zetten. Dat heet meervoudige argumentatie. Een schrijver kan een argument ook onderbouwen met een ondersteunend argument. Dit heet enkelvoudige onderschikkende argumentatie. Als een schrijver meer argumenten onderbouwt met een ondersteunend argument is er sprake van meervoudige onderschikkende argumentatie.
Je kunt een argumentatie in een blokjesschema zetten. Als je boven aan het schema begint, betekent het pijltje want. Begin je onderaan betekent het pijltje dus.
Een standpunt wordt vaak aangekondigd met signaalwoorden als: Ik vind, Volgens ons, Zij denkt dat, De schrijver is van mening dat, Onze conclusie is, Dus, Daarom, Kortom.
Argumenten herken je vaak aan signaalwoorden als: Dat blijkt uit, Immers, Namelijk, Omdat, De reden hiervoor is, Want.
In betogen wordt aan een argument meestal een hele alinea gewijd. Dan is een signaalwoord voor een argumenterend verband niet altijd nodig. Wel gebruikt de auteur signaalwoorden voor een opsomming als hij zijn standpunt met meerdere argumenten onderbouwt.
Hoofdstuk 4: Tegenargumenten en weerleggingen
Een schrijver kan zijn lezer ook overtuigen door mogelijke tegenargumenten te ontkrachten. Hij bedenkt dan wat de argumenten van de tegenstanders zouden kunnen zijn. Als hij kan aantonen dat de argumenten van zijn tegenstanders niet kloppen, weerlegt hij hun argumenten.
Een tegenargument herken je aan de signaalwoorden: Dat blijkt uit, Immer, Namelijk, Omdat, De reden hiervoor is, Want.
Een tegenargument en een weerlegging worden vaak voorafgegaan door signaalwoorden van een tegenstellend verband: Tegenover, Daarentegen, Maar, Echter, Hoewel, Toch, Ofschoon, Ondanks dat, Aan de ene kant, Aan de andere kant.