Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
Probleem 5 - Medicatie! (NANDRHA (Nieuwe therapeutische behandelingen…
Probleem 5 - Medicatie!
CLARK
Cognitieve model van paniek
Paniek is een vicieuze cirkel
Trigger
interne of externe stimuli
Waargenomen dreiging
Apprehension
waardering van de situatie
Lichamelijke sensaties
hartkloppingen
verhoogde bloeddruk
zweten
spieren aanspanning
interpretatie van sensaties als catastrofaal
paniek aanvallen ontstaan door misinterpretatie
kan 2 typen angst verklaren
periode van angst vooraf
anticipatie op een aanval
korte periode van angst vooraf
waarnemen van lichamelijke sensaties
overige punten in het artikel
locus coerulus speelt een rol bij paniek
3 punten die nog onderzocht moeten worden
mensen met paniekstoornis meer last van lichamelijke sensaties?
farmacalogische middelen die paniek bevorderen
behandelingen die falen om paniek patiënten te behandelen
farmaceutische behandeling voor paniek
propranolol
niet effectief
impiramine
antidepressiva
werking niet duidelijk
diazepam
bij hoge dosis effectief
FAVA EN MORTON
causale modeling framework
brengt theorieën over paniek samen
psychodynamische theorie
paniek komt door
persoonlijkheidstypen en een defensieve stijl
angst neurose ( freud)
= een persoonlijkheidsstrek
onderliggende conflict
onbewuste mentale gedachten
hysteria
Bandura
self- efficacy
definitie
= perceptie van eigen vaardigheid om met dreiging om te gaan
hoge self - efficacy = beter om met paniek
externe trigger + lage self efficacy = waargenomen dreiging
Beck
zit tussen theorie Clark en Bandura in
3 factoren betrokken bij paniek:
waarschijnlijkheid van kans
copingvaardigheden
reddingsfactoren
centrale rol paniekstoornissen =
kwetsbaarheid
Casey
theorie gebaseerd op clark, bandura, beck
integrative model of panicdisorder
paniek wordt veroorzaakt door
self efficacy
lichamelijke sensaties
catastrofale misinterpretatie
hoge self-efficacy inhibeert catastrofale misinterpretatie
Cognitive model of panic (McNally)
grootste risicofactor paniekstoornis
= angstgevoeligheid (AS)
definitie
angst voor angst/ spanning
6. samengestelde cognitieve theorie
3 antecedenten bij een paniekstoornis
lage self - efficacy
komt voort uit vroegere hechtingsproblemen
hoge angstgevoeligheid
door genetische predispositie
geleerde dreiging
door eerdere kritieke gebeurtenissen
neuroanatomische modellen
paniekstoornis wordt bemiddeld door angstnetwerk in brein
--> deze is gecentreerd in de amygdala
cognitieve misinterpretatie = activatie angstnetwerk
conditionering speelt een belangrijke rol
toename van projecties amygdala en hypothalamus
trauma
heeft directe impact op angstnetwerk
Klein's suffocation False Alarm Theory (FSA)
voornamelijk fysiologische theorie
fysiologische signaal wordt ten onrechte getriggerd
onjuist biologische signaal
zorgt voor angstreactie
Pilecki
kritiek op causale model
geen verklaring neuroanatomische modellen
geen ondersteuning voor erfelijkheid
weinig steun voor SFA
biologische basis slecht geïntegreerd
weinig empirische steun
AS wordt weinig betrokken
cognitieve modellen verklaren niet waarom paniekaanval stopt
klassieke conditionering is onvoldoende in model opgenomen
SMITS
Fear of fear (FOF)
= neiging om angstig te reageren
speelt hoofdrol bij paniekstoornis
CBT is geassocieerd met significante verbetering FOF
FOF is onderliggende gedachte/ mechanisme achter CBT
NANDRHA
eerste lijn treatment
SSRI
inhibeert serotonine opname
blokkeert heropname pomp
SNRI
inhiberen serotonine en norepinefrine opname
blokkeert heropname pomp
Breingedeelten
Laterale Amygdala
verantwoordelijk voor angstconditionering
belangrijk bij herkenning van angst
belangrijk bij verwerven van angst
belangrijk bij expressie van angstrespons
Huidige farmacologische behandelingen
SNRI
Benzodiazepine
downreguleert GABA- receptoren
zorgt voor inhiberende controle in amygdala
Nieuwe therapeutische behandelingen
Memantine
anti-glutamaat medicijn
vermindert compulsief gedrag
riluzole
ook anti-glutamaat medicatie
zorgt voor verhoogde glutamaat opname
D-cycloserine
agonist bij NMDA receptor
propranolol
beta adrenergic antagonist
verminderd traumatische ervaring
NASH
medicatie via monoamine neurtransmissie
Antidepressiva
TCA
inhibeert opname serotonine en norepinefrine
MOA
blokkeert afbraak monoamine
verhogen synaptische bereikbaarheid van serotonine, noradrenaline en dopamine
RIMA
omkeerbare remmer van monoamine oxidase
Mirtazapine
blokkeert adrenoreceptoren
verhoogt synaptische vrijlating van serotonine en noraderenaline
andere medicatie
hydroxyzine
histamine receptor antagonist
positief voor GAD effecten
Lithium
effectief bij stemmingstoornissen
werking is niet duidelijk