Please enable JavaScript.
Coggle requires JavaScript to display documents.
(2) Het gezeik van de filosofie die je moet kennen voor SE pasen…
(2) Het gezeik van de filosofie die je moet kennen voor SE pasen
Functionalisme en tegenbeweringen
Filosofische zombies
Filosofische zombies zijn relevant voor het metafysisch probleem, omdat de mogelijkheid van deze wezens bestaat, en voor het epistemologisch probleem, omdat we niet kunnen weten of anderen filosofische zombies zijn.
Het zombie probleem geldt ook voor robots: we kunnen er onterecht een bewustzijn aan toekennen. je kunt nooit zeker weten of anderen alleen schijnbaar een mentaal leven hebben dat in grote lijnen te vergelijken is dat van jou, terwijl ze in werkelijkheid helemaal geen binnenwereld of belevingswereld hebben.
Zombies hebben dan wel een binnenwereld (hij heeft dezelfde imput-outputn) maar heeft geen belevingswereld (hij beleeft die ervaring niet)
zombie drinkt koffie, alleen hij ervaart de smaak van koffie niet dus hij proeft niks
op basis van gedrag kunnen we niet uitsluiten dat de belevingswereld van een ander verschilt van die van ons. We zouden hetzelfde kunnen zijn qua binnenwereld, maar kunnen verschillen qua fenomenale aspecten.
Het functionalisme zegt dat mentale toestanden volledig kunnen worden gekarakteriseerd via hun functionele rol
Sensorische imput:
waaraan mentale toestanden ontspringen
motorische imput
: waartoe ze leiden
de manier waarop ze zich verhouden tot andere mentale toestanden
: hoe deze mentale toestanden materieel worden gerealiseerd maakt niets uit. Zolang hun interne toestanden dezelfde functionele rol spelen blijven ook de mentale toestanden hetzelfde.
Een loper wordt niet gekenmerkt door zijn vorm, maar door de zetten (Functie) dat hij kan zetten
Gedachte-experiment van de spectruminversie
: Iemand ervaart een kleur anders dan jij zelf. (ik zie groen, jij blauw). Onze binnenwereld is hetzelfde, alleen we ervaren de kleur anders.
We kunnen ook niet uitsuiten dat de belevingswereld van iemand anders exact andersom eruit ziet. We weten nooit zeker dat we hetzelfde ervaren als een ander. Een acteur kan kermen alsof hij pijn heeft terwijl hij zich prima voelt
tegenbeweringen
De kwalitatieve belevingsaspecten (qualia) die uitmaken ‘hoe het is’ om een bepaalde ervaring te hebben, vormen samen het fenomenaal bewustzijn. Een zombie heeft dus geen fenomenaal bewustzijn.
Pseudo probleem
Husserl: andermans bewustzijn is simpelweg te merken
Merleau Ponty
: Onze ervaring van de wereld is afhankelijk van de ervaring van een sociale wereld. Wij zijn geen ''geest in een lichaam., maar we zijn een ''begeesterd lichaam'' . Lichaam en geest zijn 1. Je kunt aan wat iemand doet, merken wat hij denkt; en wat iemand doet. Lichaamstaal is veelzeggend; als je een handelend, menselijk lichaam waarneemt, dan zie je direct een geheel persoon/ Er is geen onderscheid tussen binnenwereld en buitenwereld (lichaam en geest zijn 1)
Je kunt afleiden aan het geheel van het lichaam weten dat je een geest hebt. Je bent een eenheid van geest en lichaam. Je bent een automobilist in een auto, eenheid. Volgens Ponty, kun je op intuïtief niveau kijken naar iemand en zeggen dat hij of zij een geest heeft. Je kunt een geest niet wegdenken want dan hou je geen functionerend lichaam meer over. Het verstand is nodig om goed te kunnen handelen.
Wittgenstein: een privé taal bestaat niet, we hebben andere bewuste wezens nodig om zo bewust te zijn als we nu zijn
Sartre: we merken dat een ander bewustzijn heeft door de ervaring van het bekeken worden
Levinas: het bewustzijn is te zien in het gelaat / gezicht
Het demarcatie probleem
houdt zich bezig met wat de criteria zijn om de streep te trekken tussen betrouwbare wetenschap en pseudo wetenschap
Wiener Kreis
Context van ontdekking
: hoe je op een idee bent gekomen
Context van verantwoording
: hoe je kunt aantonen dat de theorie betrouwbaar is. Wiener Kreis vond dat je rekening moest houden met de Context van verantwoording. Voor hem was verificatie het kenmerk van de wetenschap.
Verificatie:
een uitspraak is wetenschappelijk als er een procedure bestaat die we kunnen volgen om na te gaan of de uitspraak waar of onwaar is.
we moeten ons alleen bezig houden met de onderbouwing
Het verificatie criterium van de Wiener Kreis zegt dat wanneer het onmogelijk is om een theorie te verifiëren, deze niet-wetenschappelijk is: de betekenis van een bewering is de procedure om te verifiëren. Zo kunnen heel veel dingen als wetenschappelijk worden gezien (smurfen in je haar, kan gecheckt worden) maar ook heel veel dingen niet (alle zwamen zijn wit; het is onmogelijk om alles te checken dus niet verifieerbaar)
Karl Popper
Falsificatie:
Bij falsificatie bedenk je juist een cruciale test om een theorie onderuit te halen. Als een theorie niet gefalsificeerd is, dan mag zij staande worden gehouden, zo wel dan mag ie de prullenbak in en beginnen we weer opnieuw. Theorieën die niet falsificeerbaar zijn, zijn niet wetenschappelijk.
Kuhn
De theoriegebondenheid
: zegt dat onze waarnemingen niet zuiver zijn, maar worden beïnvloedt door veronderstellingen en theorieën. Kuhn zegt dat om wetenschappelijk werkelijk te begrijpen, we niet alleen naar eindresultaten moeten kijken, maar naar de processen die daarnaartoe leiden. Volgens Kuhn is er een basispatroon van grote wetenschappelijke omwentelingen, verschillende paradigma's. Dit basispatroon bestaat uit periode van normale wetenschap en een periode van revoluties
Periode van normale wetenschap
: wetenschappers elkaars veronderstellingen en zit iedereen ongeveer opdezelfde lijn.
Periode van revoluties
Maar dan stapelen de onverwachte waarnemingen (anomalieën) zich op waardoor er een oplossing gevonden moet worden. En dan worden de veronderstellingen, denkkaders, en theorieën ter discussie gesteld, en worden deze fundamenteel aangepast en veranderd. Hier komt dan een paradigma wissel en volgt er opnieuw een periode van normale wetenschap met deze nieuwe paradigma.
Overtuigingsrelativisme
: wat een wetenschapper ervaart/voor waar aanneemt, wordt bepaald door het paradigma waarbinnen die wetenschapper denkt en werkt.
we kunnen de samenhang en rationaliteit van wetenschappelijke theorieën, paradigma’s en paradigmawissels alleen in hun geheel en van binnenuit bekijken en niet in geïsoleerde partjes en van buitenaf
Austin
primaire tekst
Austin zegt dat iedereen die een filosofisch probleem aan de orde wil stellen, in de eerste plaats uiterst aandachtig moet kijken naar wat wij erover zeggen in ons taalgebruik. We kunnen veel leren van de manier waarop mensen spreken over de wereld. Je hoeft uiteindelijk niet alle alternatieven uit te sluiten, als je er maar genoeg kunt uitsluiten.
'''dat is een mus'' je classificeerd het vogeltje op kenmerken. Hoe weet je iets? Door je antwoorden te verwijzen naar ervaringen of omstandigheden. We hebben weleens gehad dat we iets heel goed weten, maar we weten niet hoe of op grond waarvan wij dat weten. Dat komt omdat er in elke taal woorden te kort schieten om te classificeren.
''Weten dat'' doe je op grond van relevante kenmerken, zonder dat je alle kenmerken moet kunnen opsommen. ''Kunnen bewijzen dat'' betekent dat je voldoende relevante kenmerken kunt noemen zodat alternatieven zijn uitgesloten. Om iets te bewijzen moet je dus 1) kenmerken weergeven om de uitspraak te rechtvaardigen 2) een correcte beschrijving 3) ervoor zorgen dat er geen alternatief bestaat.