Dit kun je toepassen bij homogene vloeistofmengsels waarbij de verschillende vloeistoffen andere kookpunten hebben, zoals bij een water-alcohol mengsel. In een destillatieopstelling verdampt door verhitting de vloeistof met het laagste kookpunt, alcohol, als eerste bij 78°C. De alcoholdamp wordt opgevangen en afgekoeld, waardoor condensatie optreedt. De opgevangen vloeistof, in dit geval alcohol, heet het destillaat. De vloeistof die na het destilleren in de kolf achterblijft, in dit geval water, noem je het residu. Hoe groter het verschil in kookpunt, hoe gemakkelijker en beter de scheiding door destillatie is uit te voeren.